Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Brandy, Sir, antwoordde de Ier.

Dan maar drie glazen, als er niets anders te krijgen is.

Het verlangde werd gebracht en nauwelijks had de kleinste het glas aan zijn lippen gebracht, of hij spuwde den inhoud uit

op de grond. , , ,

Ziin beide kameraden deden hetzelfde en de langste van de drie steunde zijn hand aan zijn dubbelloopig geweer en zei: pfoei! Wat een drank! Ik geloof waarachtig, dat die Iersche

spitsboef ons vergiftigen wil. .

— Ja, dat ben ik roerend met je eens, zei de kleine, — maar

hoe weet jij, dat die vent een Ier is?

Nou, wie hem dat niet op het eerste gezicht kan aanzien,

is een verschrikkelijk groote stommeling. ... , . ... , .

Juist! Maar daarom verwondert het me juist, dat, jij net

hem hebt kunnen aanzien, hihihihihiü!

Dit zachte gelach van den kleinen man had iets, dat men onmiddellijk van alle andere soorten lachen kon onderscheiden; het was een kirrend grinniken en het was een gewoonte van hem geworden, wanneer hij een van zijn velerlei grapjes ten beste had gegeven, even na te gnuiven. Dat geginnegap van hem had iets, waarom men niet kwaad kon worden. Het was evenasl de man zelf: eigenaardig, maar heelemaal met onsympathiek. Nog was hij zoo tegen zichzelf aan het lachen, toen de door

hem aangesprokene opspatte:

— Wou je soms zeggen, dat ik een stommeling ben.'

— Soms, nee, altijd, beste kerel! Ik zeg je nu immers al vijftien jaren lang, dat je een onverbeterlijke Greenhorn bent.

Geloof je het nu nog niet?

Nee, na vijftien jaar is men geen Greenhorn meer.

Hii zei dat, zonder ook maar in het minst kwaad te worden, hoewel het woord greenhorn een zeer beleedigend woord is voor iemand, die al 15 jaar in het wilde Westen rondzwerft. Het wordt vaak tegen jongelingen gezegd, die nog volkomen groen zijn en pas in de wildernis komen, dus nog nergens iets van af weten Het is zooiets als een woord „groentje . Maar deze twee mannen waren zoo al 15 jaren aan het kibbelen met elkaar en desondanks waren ze nog nooit kwaad op elkaar geweest, want het waren alle drie gezworen kameraden, die hun leven voor

elkaar zouden opofferen. , .

_ Hoor eens, Will Parker, wat je daar zegt is een waarheid

als een koe, maar je wilt jezelf toch met onder rangschik¬

ken? Dat je dat nog niet weet, is het zuiverste bewys, dat je nog een greenhorn bent.

— Oké, Sam Hawkens. „ Maar wat denk je daar van die twaalf mannebroedars.

— Niet veel goeds.

— Dacht ik ook.

Zie je, hoe ze zitten te lachen?

— Ja, wel?

— Dat geldt jou, Sam.

Sluiten