Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Nou, nou, jullie zijn me een paar bliksems rare, belachelijke drielingen, niet?

— Yes, zei Sam bedeesd.

De man had op een zoo honenden toon gesproken en niet eens gegroet, zoodat ieder ander hem het liefst een flinken oorvijg had gegeven, maar Sam bleef de beminnelijkheid zelve.

— Ik ben de eerste, zei Sam.

— En ik de tweede, voegde Dick eraan toe.

— En ik de derde, zei ook Will.

— Eerste, tweede, derde? Wat is dat? vroeg Buttler stomverbaasd.

— Well, drieling natuurlijk, gaf Sam met trouwhartigheid ten antwoord.

Een algemeen gelach beloonde Sam voor zijn zet en Buttler keek met een gezicht als een oorwurm.

— Zeg eens, jochie, geen flauwe grapjes, anders zal ik eens wat anders gaan zeggen; ik ben niet gewend met me te laten spotten. Ik moet jullie namen weten. Vooruit ermee!

— Ik heet Grinell, zei Sam kleintjes.

— En ik Berry, bekende Dick.

— En ik White, kwam Will angstig achteraan.

— Zoo, en wat doen jullie?

— Vallenzetters, was Sams antwoord.

— Wat hoe? Zeg het nog eens?

— Vallenzetters, zei Sam weer met het ernstigste gezicht van de wereld.

— Vallenzetters!! Hahahahü Daar zien jullie anders heelemaal niet naar uit, alsof je ooit een bever of een waschbeer gevangen hebt.

— Hebben we ook nog niet.

— Heb je nog niet? Dus jullie beginnen pas?

— Ja.

— Die is goed! Waar kom je dan vandaan?

— Van Castorville.

— Wat deden jullie daar?

— Een kleerenwinkeltje; wij drieën waren compagnons.

— Aha! En dat ging slecht?

— Ja.

— Dat heb ik dadelijk al gedacht. Daar zien jullie echt naar uit. En nu dachten jullie, laten we het eens als „trapper" probeeren, hè?

— Ja.

— Hooren jullie dat? Als kleermaker mislukt en nu gaan ze vallen zetten!

Deze laatste vraag was aan zijn makkers gericht en deze, die het gesprek met ironische belangstelling volgden, gaven een nieuw lachsalvo.

Sam Hawkens echter riep schijnbaar kwaad:

— Mislukt? We waren wat een goede kleermakers, en we wisten heusch wel, wat we deden, toen we failliet gingen.

Sluiten