Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riep, zoodra hij Sam ontdekte:

— Hé, wat is dat voor een hansworst?

Sam reageerde er niet op, maar zei vriendelijk:

— Dat is een Saks, dus een landgenoot van u.

— Nou, als je zoo in Saksen over de straat liep, dan zouden ze je gauw oppakken.

— Gelukkig zijn we echter niet in Saksen.

— Wat bedoel je daar mee?

— Dat ik waarschijnlijk wel vrij zal blijven, want hier zijn nu eenmaal niet tien kleerenwinkels op elke mijl.

— Nou?

— En ik wilde wel graag weten, wat het doel is van uw reis.

— Daar heb je niets mee te maken.

— Des te beter; dan bemoei ik me er verder ook niet mee.

— Wie ben je?

— Dat wil ik wel zeggen: mijn naam is Falke. Ik ben een Saks van geboorte en geef een ieder de eer, die hem toekomt. Of u mijn vragen nu zult beantwoorden is uw zaak.

— Alle donders, wil je wel een beetje weten wat je zegt?

— Allicht, wie mij een hansworst durft te noemen, neem ik niet au sérieux.

— Wat durf je tegen mij te zeggen?

— Dat hoort u.

— Maak dan maar, dat je als de bliksem wegkomt, als je niet wil, dat ik je je beenen breek.

— Goed, ik ga al. Maar als landsman acht ik het mijn plicht u te waarschuwen voor die Twaalf Ruiters, die u vanmiddag achterop gekomen zijn.

— Dat hoeft niemand ons te vertellen, want we hebben zelf wel gezien, dat die kerels niet te vertrouwen waren en toen ze ons wilden uitvragen hebben we hen geen inlichtingen gegeven. Je ziet dus, dat je met je raad achteraan komt.

Hij keerde zich om en wilde al wegstappen, toen Sam, gedreven door zijn goede hart, nog vroeg:

— Mister, nog één vraag.

— Wat is er dan?

— Staan die wagens van u zoo altyd?

— Waarom vraag je dat?

— Omdat het de beste manier is, om door roovers te worden uitgemoord. Wanneer ik het hier voor het zeggen had, dan zou ik de wagens alle vier in een vierhoek laten zetten, waarin dan alle menschen en ossen.... hihihi!!!.... menschen en ossen een veilige plaats vinden, terwijl buiten een wachter staat.

— Waarom?

— Omdat u hier in de wildernis bent en niet op de Leipziger Messe.

— Zoo, waar ik ben, dat weet ik anders goed genoeg, daar heb ik geen hansworst voor noodig om me dat te zeggen.

— Dat hebt u tegen geen doove gezegd.

— En maak nu maar heel gauw dat je weg komt, anders

Sluiten