Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

De overrompeling.

Toen de drie mannen aan het kamp aankwamen, waren alle voorbereidingen al getroffen. Zoodra allen dus bijeen waren, kon vertrokken worden.

De stoet zette zich in beweging; voorop de scout, die als gids dienst deed en daarachter reden de beide jonge ruiters met Will en Dick. Daarachter kwamen de oudere mannen en de vier ossewagens en helemaal achteraan reed weer die zonderling met Sam, die juist hier was gaan rijden, omdat hij op die wijze «enig nieuws hoopte te weten te komen omtrent de reizigers, want de dwaas, die zich organist Emeritus noemde, zou wel spoedig een en ander loslaten, wanneer Sam erover begon.

De organist Emeritus maakte het Sam al heel gemakkelijk, want hij begon er zelf over:

— Onze mevrouw Rosalie Ebersbach is toch maar een verstandige vrouw, dat zij nu midden in den nacht opbreekt.

— Waarom?

— Omdat zij het doet en dan zal het heusch wel goed zijn.

— U schijnt nog al erg met haar ingenomen te zijn.

— Dat ben ik.

— Maar, waarom is alles, wat die vrouw doet, dan goed?

— Omdat zij alles kan en alles weet.

— Dat is heel wat.

— Dat is het ook, maar zij heeft ons totnutoe zoover gebracht en ik ben ervan overtuigd, dat zij ons nog veel verder zal brengen.

— Van de wijs, ja.

— Nee, meneer, ik verzoek u, haar niét te beleedigen, want zij staat bij ons zeer hoog aangeschreven.

— Dat heb ik gemerkt, ja.

— Maar waarom zij nu midden in den acht is opgebroken, heb ik nog niet kunnen begrijpen; maar.... het zal ongetwijfeld goed zijn.

— Dat is het; maar toevallig heb ik het haar gezegd.

— U?

— Hebt u dat dan niet gehoord?

— Neen.

— Was u er dan niet?

— Neen, zeker niet, ik was aan het componeeren

— Maar dat doet men toch niet des nachts?

De petroleumkonïng 3*

Sluiten