Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Hoezoo?

— Er is heelemaal geen bosch of zoo in den omtrek, dus zeer moeilijk om er rond te sluipen.

— Ach, mijn waarde, in welk terrein ook, moet Sam Hawkens zijn meester nog vinden in het sluipen.

— Ik hoop, dat het goed gaat, zei de kapitein schouderophalend.

— Alleen wil ik niet, dat er bloed vergoten wordt, voor de rechter zijn uitspraak gedaan heeft.

— Kan dat dan?

— Zeker wel. Met uw twintig man, hebben wij veertig handen erbij, dat is wel genoeg om twaalf kelen dicht te snoeren.

— All right. We zullen nu den luitenant laten komen, dan kan hij ook hooren, wat er te doen staat.

Nadat met den luitenant alles breeduit besproken was, keerde Sam weer naar het wagenkap terug.

Daar aangekomen, stond de heele dorpsjeugd naar de reizigers te staren en ook Sam werd bij zijn aankomst aangegaapt.

Terwijl Sam mede aan het ontbijt ging zitten en onder het eten door zijn onderhoud met den commandant aan Dick en Will vertelde, zagen zijn listige kleine oogjes, dat er een man kwam aangeslenterd, die na eenige rondkijken den Scout aansprak en vele malen naar het saamzittende drietal loerde.

Sam begreep onmiddellijk, dat er over hen gesproken werd en hij stond dus op, om een en ander te weten te komen. Toen hij nader kwam, zag hij duidelijk, dat de man, die den Scout had aangesproken, verlegen werd en weg wilde gaan.

Juist toen hij bij het tweetal arriveerde, hoorden hij den scout, die met zijn rug naar hem toestond, zeggen:

— Ja, het is het Klaverblad. Ik kon het in het eerst ook niet gelooven, maar nu kan ik u verzekeren, dat het zoo is.

Sam nam nu den man bij den arm, kneep er eens flink in en vroeg:

— Zeg eens, jij bent soldaat, niet? Je behoort bij het garnizoen, niet?

De man stotterde verlegen, dat het hem speet, maar dat het werkelijk waar was.

— Waarom spijt het je dan?

— Omdat u het nu gaat vertellen en ik ben uitgestuurd, om stille inlichtingen te verkrijgen en me niet door u te laten zien.

— Zoo. Ik kan het me voorstellen, want die kapitein kent me nog niet en moest het dus doen.

— Ja, meneer.

— Ga dan nu maar gauw terug en vertel je kapitein, dat je gezien en gehoord hebt, dat ik hem de waarheid heb verteld, maar zeg er geen mensch iets van. Begrepen?

— Ja, meneer, kwam het er aarzelend uit en de man verdween zoo snel mogelijk.

Toen de man weg was, wendde Sam zich tot den gids en

Sluiten