Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Gauw, kerel, ze zitten al lang achter ons aan, als ik me niet vergis, hihihi!

— Nee, ik bedoel, dat ze al ons spoor hebben.

— O, ja, dat geloof ik ook wel, maar ze kunnen ons nu nog niets doen, daar we hen overdag ook kunnen zien, dus schieten en daar zijn de heeren te laf voor.

Een paar mijl verder zagen we eenige boomen bij elkaar staan en werkelijk, daar was de bron! Wat een geluk, dat alles nog zoo was als jaren geleden, toen het Klaverblad er voor het laatst geweest was!

Het was een prachtgelegenheid om te overnachten en daar waren ze het dan ook allen over eens, dat Sam een geschikte plaats had uitgezocht.

Maar.... van de soldaten was geen spoor te bekennen. Dat was heel goed gezien van dien luitenant. Het gezelschap was echter nog niet geheel en al afgestegen, of daar kwamen er aan de kim eenige ruiters aanzetten.

Het bleek de officier te zijn met nog een sergeant.

— Neemt u mij niet kwalijk, dat ik zoolang uit het gezicht gebleven ben, maar ik vond het veiliger, deze plaats niet te verontreinigen met onze sporen, die konden alles verraden.

— Ja, dat hebt u zeer goed gezien meneer, zei Sam.

— Wat moeten we nu doen?

— Niets, heelemaal niets; pas wanneer ik u roep, dan kunt u met uw mannen te voorschijn komen en de Finders even overrompelen.

— Wanneer is dat?

— Dat is, wanneer ik om u zend.

— Dus dan zal ik nu zoolang nog maar verdwijnen?

— Ja, naar het veilige oord, vanwaar u nu komt.

— Zeker.

De luitenant salueerde en verdween weer even snel als hij gekomen was.

Terwijl nu het gezelschap zich zoo goed mogelijk bezighield, gaf Sam hen de laatste noodige aanwijzingen.

— Alles goed en wel, maar als ze nu eens niet komen? veronderstelde Will.

— Dat is niet mogelijk, brave.

— Zoo, het is toch maar een veronderstelling en geen zekerheid, dat ze hierheen komen en daar gaan legeren.

— Jochie, wat voor jou een veronderstelling is, is voor mij een volkomen zekerheid.

— Ze kunnen wel eens niet willen, omdat we hen zoo straf hebben aangepakt.

— Nee, vriend, dat is voor hen juist een aansporing, om nog meer wraak te koesteren.

— Ik hoop het voor jou, Sam.

— En voor jezelf toch zeker ook.

— Nou ja, ook. Al vindt ik het heelemaal niet logisch.

— En toch heb ik gelijk, dat zul je zien.

Sluiten