Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ritseling Sam's voetstappen en weldra waren zij een aardig eindje weg.

Achter de hoogte aangekomen, die Sam op het oog had, bespraken ze nog eenmaal alles tezamen, wat zij te doen hadden en wat er gebeuren kon en wat er gebeuren moest.

— Zoo, nu blijf jij hier achter en ik zal alleen even vooruit gaan om te zien, dat ik wat te weten kan komen.

— Nee, laat me nu liever volgen, antwoordde Will.

— Waarom?

Omdat ze jou vast en zeker te pakken nemen en scalpeeren, voor je een kik kunt geven.

— Poeh! Maak je liever wat meer om je eigen hachje bezorgd! lachte Sam en sloop verder.

Zijn geweer had hij bij Will achter gelaten en deze zat te wachten, alsof er ieder oogenblik iemand kon aankomen. En dat was ook zoo, want de Finders zouden natuurlijk een verkenner uitzenden en dan kon deze wel eens langs Will komen en hem bemerken. Maar, al zou dat zoo zijn, dan nog was het Will wel toevertrouwd, hem door plat op den grond liggen te ontgaan en als hij soms toch ontdekt mocht worden, dan zou hij hem wel stevig en meesterlijk bij den keel grijpen.

Sam sloop dus voorwaarts. Hij lag geheel plat op den grond en toch raakte hij den grond niet anders dan met zijn teentoppen en met zijn handen. De vingers recht, zoodat zij bij iedere aanraking met den bodem in den grond boorden, liep hij centimeter voor centimeter vooruit. Dat viel vooral nu niet mee, daar overals op den grond kiezel en grint lag en ook grootere steenen, die bij een aanraking onmiddellijk bewogen. Voor Sam was dit echter juist iets, waarop hij nu eens zijn uiterste best kon doen en hij aarzelde dan ook geen oogenblik, maar ging gestadig voorwaarts. Zijn oogen waren zeer goed aan het duister gewend en hij vorderde dan ook merkbaar.

Eindelijk had hij de hoogte bereikt, waarachter hij wist, dat de Finders lagen en nu hij den rand bereikte, kon hij, eroverheen kijkend, gestalten onderscheiden.

Eigenlijk behoefde hij niet eens te kijken om te weten, dat daar menschen waren, want zij spraken zoo luid, dat men het op verren afstand kon hooren. Natuurlijk konden ze niet vermoeden, dat die „kleermakers" hen zouden komen beluisteren.

Sam kroop nog verder, zoo ver zelfs, dat hij, wanneer hij dat gewild had, den naastbijzijnden man had kunnen aanraken. Nu kon hij duidelijk het volgende verstaan:

— Als we maar meer munitie hadden kunnen bemachtigenr Verdorie, jongens, we moeten erg zuinig met ons kruit zijn.

Het was Buttler's stem; Sam wist zich nog een eindje, misschien een paar decimeters, opzij te schuiven, zoodat hij juist achter een grooten steen lag, vanwaaruit hij een schitterend overzicht had over het kamp der Finders, van wie de meesten lui in het gras lagen en hier en daar ergens mee bezig waren.

Alleen één van hen stond in de nabijheid van Buttler, die

Sluiten