Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— We zullen toch maar wat aanstappen.

Snel legden ze den weg terug af, maar nog waren ze niet ver gekomen, toen ze een geluid hoorden. Als aan den grond genageld bleven beiden staan om te hooren, wat het zijn kon.

— Een galoppeerend paard, fluisterde Sam.

— Het komt recht op ons aan! zei Parker.

— Ja, dat is het, hè, wat kan dat nu weer zijn?

— Kom vlug op zij!

Nog juist op tijd waren zij op zij gesprongen, want een paard kwam snel nader en passeerde hen van zeer nabij.

Ondanks de duisternis konden zij nog zien, dat op het voorbijvliegende paard twee ruiters zaten. Een ervan kreunde luid.

— Was er dat niet één van ons, Sam?

— Ik weet het eerlijk niet.

— Ja, ik zag wel, dat de een in den zadel zat en den ander zat geknield erachter.

— Ik weet het werkelijk niet, maar in elk geval waren het er twee, mijn beste greenhorn.

— Het waren in ieder geval vijanden van elkaar, want de een had den ander bij zijn keel

— Heb je je niet vergist?

— Nee, in geen geval.

Hij had zich inderdaad niet vergist, want in den tijd, dat de beide verkenners Will en Sam onderweg waren naar de Finders was er heel wat gebeurd in het kamp.

Mevrouw Rosalie was n.1. in den loop van een gesprek in twist geraakt met den gids en deze had zich niet onbetuigd gelaten, wat beleedigingen betreft.

Tenslotte riep de goede, maar driftige vrouw uit:

— Hoor eens, u moet vooral niet denken, dat wij zoo'n beetje uw slaven zijn. Wij hebben zeer zeker nog wel een woordje mee te praten, wilt u daar aan denken. Ik, die alles betaal, heb zeker zooveel te zeggen als u; begrijp dat goed. u wijst ons den weg u krijgt er uw geld voor. En meer hebt u ons niet te vertellen.

— Nee, had de scout gezegd, ik heb alleen het commando, want iedereen heeft gewoon te doen, wat ik zeg, en u hebt heelemaal niet meer te zeggen dan de anderen, dus dat is tegenover mij in het geheel niets.

Geen sprake van. Dan kent u me niet. Ik zal het u anders vertellen vanaf morgen hebben we u niet meer noodig, want Sam Hawkens weet den weg veel beter dan u en die is bovendien niet zoo dom.

— Oh, weet die het beter dan ik? Wie zegt dat?

— Dan zeg ik, versta je dat?

— Ach, wat heb ik met u te maken? U hebt over hem en mij heelemaal niet te oordeelen, want u bent een vreemdeling en bovendien een vrouw. Trouwens, vrouwen hebben heelemaal hun mond te houden.

— O ja? Wilt u wel eens drommels goed weten, wat u zegt?

Sluiten