Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter de troep aan, zoodat ik Uw vlucht eventueel met mijn geweerkogels dekken kan.

Weer dacht Buttler langen tijd na.

— Tja, het lijkt me een prachtidee. Het is de eenigste manier, om nog vrij te komen. Als ik eenmaal in Tucson ben, dan is er voor mij geen hoop meer te verwachten.

— Dus?f

— Aangenomen. Ik zal mijn mannen zeggen, wat ze te doen hebben, en wanneer ik hen beloof, hen ook te redden, doen ze het wel.

— Mooi, dus tot morgen dan. En wee dat Klaverblad!!

Beiden sliepen nu ook in en den volgenden morgen lieten zij

niet door het minste teeken merken, dat zij iets met elkaar uitstaande hadden.

Voor dag en dauw al werd er opgebroken en de menschen die met de ossewagens mee moesten, gingen Oostwaarts, terwijl de soldaten met hun gevangenen Westwaarts opgingen.

Even voor het vertrek echter kwam Sam op den scout toe en keek hem lang aan.

— Voor dezen nacht hebben we U zoolang voor de veiligheid in de boeien gehouden, maar nu het dag is en de gevangenen weer in goede handen zijn, zal ik U de vrijheid weer terug geven.

— Zoo, ik dacht al, of ik nooit vrijgemaakt word!!

— Niet zoo'n haast, mijn waarde, we zijn immers nog niet heelemaal klaar met elkaar.

— Wat dan nog?

— We zullen, ook alweer vanwege de veiligheid, al Uw wapens afnemen.

— Dat is je reinste diefstal!

— Noem het, zooals je wilt, beste kerel, maar wij doen, wat we noodig achten.

Polier werd nu van zijn boeien bevrijd en zette zich zoo snel mogelijk op zijn paard. Hij verdween in Zuidelijke richting, om later, wanneer hij uit het gezicht zou zijn, naar Tucson om te buigen.

Nu namen ook de manschappen afscheid en toen ook die op marsch waren, kon Sam weer eens een beetje zien, waar zijn eigen menschen, d.w.z. het gezelschap met alle vrouwen en kinderen, waren. Tot zijn grooten schrik miste hij den ouden zonderling.

Niemand had hem gezien en reeds wilde Sam boden uitzenden om hem te zoeken, toen hij van uit het Zuiden kwam aanwandelen.

— Waar zit U nu weer?

— Ik ben aan het componeeren geweest.

— Wat valt er nu in godsnaam te componeeren?

— Een triomfmarsch.

— Een.... maar ben je nou gek?

— Hé, héhéé! Weet wel, wat U zegt, ik ben een musicus!

Sluiten