Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Hoe lang denkt U hier te zullen blijven, Mr. Grimlej.

— Niet lang, helaas, zoodra de heetste middagtjjd voorbij is, gaan we weer door.

Voor de paarden werd goed gezorgd, die werden zorgvuldig van water en versch gras voorzien en afgewreven. Vader en zoon gingen nu het huis binnen om van de eenvoudige dingen, die zij in huis hadden een maaltijd te bereiden.

Intusschen had Grinley de brandewijnflesch al ontdekt. Die stond op den grond. Snel had hij zich een nieuw glas van het sterke goedje ingeschonken en met één enkele teug goot hij het prikkelende vocht naar binnen.

Geen van allen kon zien, dat er aan den horizon nog een tweetal ruiters aankwam:.... Buttler en Polier.

Zij hadden klaarblijkelijk zoo lang mogelijk achter elkander doorgereden, want hun paarden waren kletsnat van het zweet en zijzelf waren zeer stoffig en vermoeid.

Terwijl zij zoo in draf de poort van den rancho naderden, vroeg Polier:

— Maar ben je er nu wel werkelijk zeker van, dat die ranchero je niet kent?

— Neen, ik denk het niet.

— Omdat je 'hem als een eerlijk man hebt beschreven en dan zal de naam Buttler hem toch wel aanstoot moeten geven?

— Hij heeft me nog nooit gezien. Alleen mijn broer is wel eens bij hem geweest.

— Maar die heet immers ook Buttler?

— Natuurlijk, maar hij heeft zich in deze streken steeds Grinley genoemd.

— Erg verstandig van hem. Maar dan lijken jullie toch op elkaar?

— Neen, heelemaal niet, want we zijn stiefbroeders, beiden van een andere moeder.

— Waar zit die nu?

— Dat weet ik niet. Toen wij uit elkaar gingen, ging ik naar het Zuiden, om de troep der Finders te vormen, maar hij wist niet wat te doen en is toen uit mijn oog verloren geraakt.

— Dus je weet niet eens, of hij nog wel leeft?

— Nee, de hemel alleen weet, waar we elkaar nog eens zullen ontmoeten. Eer ik echter.... Donders! Daar zit hij!!!

De beide mannen waren juist op dat oogenblik bij de poort aangekomen en onmiddellijk had Buttler zijn broer, den „Petroleum-koning" herkend.

Toevallig viel ook Grinley's blik op de poort en oogenblikkelijk had hij zijn broeder herkend. Zelfs ondanks den geweldigen schrik had hij toch nog de tegenwoordigheid van geest om zijn hand op zijn mond te leggen en even met zijn wenkbrauwen te fronsen, zonder dat iemand er echter erg in had.

— Zie je wel, dat hij het is, fluisterde Buttler zijn metgezel toe, — hij geeft me een seintje mijn mond te houden. Wij mogen elkaar dus blijkbaar niet kennen.

Sluiten