Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juist waren de twee laatst aangekomenen afgestegen, toen vader en zoon naar buiten kwamen met het eten en toen zij vroegen, of het geoorloofd was, dat zij even bleven uitrusten, werden zij tegelijk met de anderen uitgenoodigd, mee aan te zitten. Zoo is de gastvrijheid daar nu eenmaal; er werd niet eens naar hun namen gevraagd.

De beide broers, die elkaar in zoo langen tijd niet gezien hadden, wilden elkander wel eens even alleen spreken; daarom stond Grinley op, rekte zich uit en zei, een kort dutje te willen gaan doen achter het huis in de schaduw.

Eenigen tijd later stond ook Buttler geheel onopvallend op en wandelde op zijn gemak, langs een omwegje, eveneens naar de tuin achter het huis. Daar konden zij ongestoord even met elkaar praten; de anderen waren blijven zitten.

Maar nu kwamen er nog twee ruiters aan den horizon in zicht, aan deze zijde van de rivier. Zij waren zeer goed bereden. Wanneer zij een andere gestalte en een andere houding gehad hadden, dan zou men hen voor die twee beroemde prairiejagers hebben kunnen houden: Old Shatterhand en Winnetou. Maar wie deze superbe mannen ook maar ééns in zijn leven gezien had, die moest inwendig lachen om deze schamele figuren, want er was een te belangrijk verschil tusschen die mannen, dan dat er verder nog verwarring zou kunnen ontstaan.

Alle kleedingstukken, die zij aan hadden waren overigens volkomen gelijk aan die van Old Shatterhand en Winnetou, en bovendien waren zij alle fonkelnieuw; ook de paarden hadden een behoorlijke duit moeten kosten, want het waren edele dieren. Met dat al echter waren die twee mannen, die daar aankwamen twee zeer vreemdsoortige, om een zacht woord te gebruiken, mannen.

Toen zij dan ook door de poort naar binnen reden, bekeek Forner hen met een critisch oog en hoe langer hij naar hen keek, des te meer scheen het hem te vermaken. Hij was een zeer goed mcnschenkenner, maar hier wist hij werkelijk niet, wat hij er van denken moest. Tenslotte won zijn nieuwsgierigheid het van zijn beleefdheid en hij vroeg hen;

— Willen de heeren misschien iets gebruiken?

— Nog niet, antwoordde de een.

— Dus dan wel later? Hoe lang denken de heeren dan te blijven?

— Dat hangt heelemaal van de omstandigheden af.

— Dan kan ik U zeggen, dat U bij mij veilig kunt blijven.

— Ergens anders ook, als het noodig is.

— Vindt U? Dan weten de heeren zeker niet, dat de Navajo's hun strijdbijlen hebben opgegraven?

— Dat weten wij wel

— En dat de Moquis en de Nijora's een heftigen opstand meemaken?

— Dat ook al, ja.

— En ge voelt U toch veilig?

Sluiten