Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Waarom moeten we ons onveilig voelen als het niet noodig is.

Het is een gewoonte van vele menschen, dat zij bij iederen zin, die zij uitspreken, iets eigenaardigs hebben. Zoo heeft bij voorbeeld Sam Hawkins de gewoonte om zoo nu en dan eens „als ik me niet vergis" achter zijn zinnen te zetten. Deze man had de eigenaardigheid, dat hij steeds zei: „als het noodig is".

— Kent U die volken dan?

— Een beetje.

—Dat is niet genoeg. Men moet ermee bevriend zijn en zelfs dan nog is het mogelijk, dat men zijn scalp verliest, wanneer zij besloten hebben tegen de blanken te strijden. Wanneer U soms van plan was, naar het Noorden te gaan, dan raad ik U dat af, want U bent weliswaar goed uitgerust, maar dat neemt niet weg, dat Uw gezichten, nu ja, die zien er niet uit, alsof U een paar onverschrokken mannen waart.

— Dus U beoordeelt de menschen naar hun gezicht?

— Ja.

— Dan moest U dat maar zoo gauw mogelijk afleeren. Men steekt en schiet met mes en geweer, begrepen? Er loopen wel erg krijgshaftige menschen rond, om bang van te worden, maar toch zijn het als het er op aankomt hazen.

— Dat wil ik niet tegenspreken, maar jullie, nou.... Eh, mag ik misschien weten wat de heer en zijn?

— Zeker wel, wij zijn, wat men noemt.... renteniers.

— Ach jé, dan moest U toch maar weer zoo gauw mogelijk weer terug gaan, anders is hier heel snel Uw lichtje uitgeblazen.

— Ach, ja?

— U komt hier zeker voor Uw genoegen?

— Tenminste niet voor ons verdriet.

— Uit Uw spreken en Uw manier van doen hoor ik wel, dat U nog heelemaal niets afweet van de groote gevaren, die hier heerschen en die U zeker den eersten den besten keer het kostbare leven zullen kosten. Dus, meneer.... ach, hoe is ook Uw naam?

De minst kleine van beiden greep met een grootsch gebaar in zijn zak en diepte er een keurig kaartje uit op.

De ranchero nam het aan, las het en kon een lach nog maar nauwelijks bedwingen. Er stond op:

SEBASTIAAN MELCHIOR DROLL.

Hij las het hardop en schudde zijn hoofd. Hij gaf nu wel zeer openlijk zijn medelijden met hen te kennen.

Maar intusschen had ook de ander een kaartje uit zijn zak opgediept en toen de ranchero dat gelezen had kon hij zich absoluut niet langer inhouden, maar barstte in een luid lachen uit. Hij las:

HELIOGABALUS MORPHEUS EDEWARD FRANKE.

— Maar, mijne heeren, die namen, die figuren, wat zijt ge toch voor zonderlinge menschen? Wat een typen! Dacht U soms, dat

Sluiten