Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiden, dat er niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen mee reden en dat er lastdieren bij waren. Een paar ruiters waren op paarden, maar de rest zat op muilezels.

Toen ze nog wat nader kwamen kon men duidelijk de menschen onderscheiden. Men raadt het wel haast het waren het klaverblad met het gezelschap, dat bij hen was.

Sam voorop, sprong, bij de poort gekomen, het eerst van allen van zijn oude Mary af. Dick Stone en Will Parker volgden weldra, maar de anderen waren niet zoo vlug ermee. Mevrouw Rosalie had tenminste heel wat moeite, om van haar rijdier af te komen en de Emeritus het zich eenvoudig over den staart van zijn paard op den grond glijden, tot groot vermaak van de toeschouwers, die er niet aan dachten hem ook maar in het minst te hulp te komen.

Nauwelijks waren allen afgestegen, of er weerklonk een luide uitroep:

— Heere-jeetje! Daar heb je Hobble Frank!

Het was de organist, die het had geroepen en onmiddellijk was deze het middelpunt van de kring.

— Hé!!! Dat is de organist Hampel! Wat doe jij hier?

Het was een handjes drukken en een begroeten, dat het een lust was, want om hier een stel Duitschers tegen te komen en nog wel kennissen, dat had wel niemand verwacht.

— Organist Emeritus, zeg dat er toch vooral bij, want ik ben het nu immers niet meer, want ik werk aan een opera. Wist je dat al?

— Ja, ik heb er zooiets over gehoord; een,, opera van vier actrices, niet?

— Neen, van vier acten, en drie dagen achtereen.

— Oh. Maar wat doe je hier nou?

— Helden zoeken.

— Helden?

— Ja, daar heb je me immers zelf toe aangespoord!

— Nou ja, dat was een grapje; als je nu eenmaal helden wilt hebben, dan moet je die niet in Europa gaan zoeken, maar hier in de wildernis komen, daar is er tenminste meer kans op, al zijn ze met een kaars te zoeken.

— Maar mijn muze zal ze mij wel in de armen voeren, want een opera als de mijne wordt maar ééns in een beschavingstijdperk geschreven.

— Zoo, nou, ik mag lijden, dat je er succes mee hebt, razende Olland.

— Het is razende Roland.

— Ach, vervelende kerel, nu moet je eens en voorgoed afleeren, om me steeds tegen te spreken. Hier in Amerika ben je niks, hoor je, heelemaal niks; je weet niks, je kan niks en je moet je mond houden tegen iedereen, die thuis is in de wildernis. Zooals ik. Zoo, dat heb ik hem lekker gezegd. En vertel me nu eens, wie dat allemaal zijn.

Sluiten