Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dat is natuurlijk doorgestoken kaart.

— Dat geloof ik ook.

— We moeten zorgen, dat we er zoo gauw mogelijk weer uitkomen.

Ja, dat was logisch. Sam begon heel voortvarend de wanden van het vertrek te inspecteeren, daarbij het olielampje hoog ophoudend, maar al wat hij zag was een leege ruimte, bestaande uit vier muren. Die muren bestonden uit steenen, die van zeer harde soort waren. De weg om eruit te komen zou dus niet zoo gemakkelijk te vinden zijn, daar er geen deur noch venster noch eenige andere opening te zien was dan slechts het gat, waardoor zij binnengekomen waren en dat nu gesloten was.

— We zullen beginnen met eens te zien of we die deksels kunnen oplichten, zei hij.

Dick Stone en Will Parker grepen elkaar bij de schouders, nu klom Sam boven op hen, steunde tegen het deksel en trachtte die op te drukken.

Geen sprake van.

— Kun je het niet open krijgen, Sam?

— Nee, met geen mogelijkheid.

— Maar daarom niet getreurd, vond Hobble-Frank, we zullen wel een uitweg vinden.

— Hoe dan? vroeg Stone.

We zullen die schoften toonen, dat ze zich verrekend

hebben.

— Ja, maar hoe? vroeg nu ook Sam.

We graven ons uit. Of door de muur of door dat deksel.

Veler gezicht keerde zich nu hoopvol naar Frank, alleen Schi-So schudde het hoofd.

— Mijn broeders moeten niet vergeten, dat die steenen zeer dik zijn en de mortel is nog harder dan de steen zelf.

Jammer, dat we alleen maar onze messen hebben om mee

te werken.

Daar alle vier de muren van dezelfde samenstelling waren, zouden ze het eerst het deksel probeeren. Dat deksel bestond uit een steenlaag, gelegd op een groot luik van hout, bestaande uit allemaal vlak naast elkaar gelegde dikke rechte stokken.

Nadat besloten was een gat in het deksel te maken, gingen er twee mannen tegen elkaar staan en een derde klom op hun schouder. Met zijn mes bewerkte hij de houten onderlaag van het deksel. Het was een zeer zware arbeid, en iedere twee uur moest men aflossen.

De vrouwen zaten op hun hurken in een hoek van het vertrek toe te kijken.

Wat zijn die Indianen toch een slechte menschen! vond

Mevrouw Rosalie.

— Tja, want wat hebben wij hen nu gedaan? Niets!

— Als ik die kerels hier had, allemachtig, dan zou ik ze evenï

— Jij zou niks, zei haar man! maar ze zouden jou wat.

Sluiten