Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ja, dat geloof ik eer, zei Tante Droll.

— Wie? Wat? Hoe zouden ze mij wat doen? En waarom?

— Waarom? Dat moet je niet vragen! Maar wat er gebeuren zal, dat kan ik je wel vertellen.

— Zoo, wat dan?

— Eerst worden we geboeid.

— Wij dames ook?

— Natuurlijk!

— En wat willen ze dan nog? Wat hebben ze er aan?

— Dan gaan vre aan de martelpaal.

— Wij dames ook.

— Allicht.

— Wat een schandaal.

— En wanneer we half verbrand zijn, worde* we langzaam dood gepijnigd.

— De vrouwen ook?

— Ja, met messen.

— Wat een tuig!

— En wanneer we dan dood zijn, dan worden we gescalpeerd.

— Ook dat nog! Maar de dames toch niet, wel?

— Die juist, die worden gescalpeerd als ze nog leven, want dan laat die huid met het lange haar beter los.

— Nee, is dat nou wel waar, meneer Frank?

— Het is de volle, reine waarheid, daar kun je op vertrouuwen.

— Allemachtig, wat zijn die roodhuiden toch een barbaren.

— Maar het zal laat worden, voordat ze mij zoover krijgen.

— En of! Ze hebben ons nog niet, bracht nu Sam in het midden.

De arme bankier, die met zijn boekhouder, zonder eenig licht, gebonden in een vochtigen kerker lag, was veel minder geneigd tot praten. Een uur lang waren beiden met hun eigen gedachten bezig geweest. Daarna begon de bankier:

— U leeft toch nog, Mr. Baumgarten?

— Gelukkig wel, meneer, al scheelt het niet veel.

— Hoezoo, ben je gewond?

— Nee, dat niet.

— Waarom denk je dan, dat het niet veel scheelt?

— Omdat ons einde wel nabij zal zijn.

— Zou dat heusch waar zijn?

— Ja, dat is zoo de gewoonte bij de Indianen.

— Wat hebben wij hen dan misdaan?

— Dat vraag ik me ook af.

— En waarom zijn juist wij twee gevangen en de anderen niet?

— Nou, ik denk, dat die er niets beter aan toe zijn dan wij.

— Zouden die ook gevangen zijn?

— Ja.

— Hoe kom je daar zoo bij?

— Ten eerste kunnen de Roodhuiden ons niet gevangen ne-

De petroleumkoning 7*

Sluiten