Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, zonder ook onze metgezellen vast te houden.

— Waarom?

— Omdat die ons dan zouden komen bevrijden.

— Dat is waar. Maar, des te slechter ziet het er voor ons uit.

— Dat vind ik niet.

— Ja, want zij waren de eenigen, die ons zouden kunnen redden. Nu kunnen wij de hoop wel opgeven.

— Daar denk ik gewoon niet aan. Ik blijf tot het laatste oogenblik hopen.

— Maar wie moet ons dan helpen?

— Ik geloof, dat wij op onze metgezellen, ondanks alles, nog wel een beetje kunnen rekenen.

— Tja, het zijn wel flinke, ervaren kerels.

— En die niet zoo gauw de handen in den schoot leggen.

— Dat is wel zoo, maar waarom hebben ze ons gevangen genomen? Zou het om een losgeld gaan?

— Dat denk ik haast niet.

— Waarom niet?

— Dat is wel iets voor blanke bandieten, maar voor Indianen niet. Ik vermoed, dat hun houding voortvloeit uit de tusschen de Roodhuiden en de blanken gerezen oorlogstoestand.

— Alle duivels. Dan hebben we wel niets meer te hopen. Dan zijn we immers krijgsgevangenen, en kost het ons ons leven.

— Maar zoover zijn we nog lang niet, Mr. Rollins. Laten we eerst eens probeeren, of we die boeien niet kunnen slenken.

Zij probeerden zich los te wringen, maar natuurlijk vergeefs. Dat zij elkaar misschien zouden kunnen helpen, al was het maar met hun tanden, daaraan dachten die twee niet.

Lang, zeer lang lagen zij daar. De bodem was hard en vochtig en er was weinig versche lucht in het enge hok.

Plotseling hoorden zij voetstappen naderen, een geruisch, en het deksel werd geopend. Zij keken omhoog en zagen de sterren aan den helderen nachthemel staan; het was dus avond geworden.

Een ladder werd omlaag geschoven. Er kwam iemand naar beneden; het was de hoofdman.

Hij betastte hun boeien en nadat hij zich overtuigd had, dat zij zich niet verroerd hadden, zei hij barsch:

— Die honden van bleekgezichten zijn nog dommer dan de stinkendste coyoten. Zij komen in de woningen der roode krijgers, zonder te bedenken, dat het mes tusschen de Roodhuiden en de bleekgezichten is opgegraven.

Even zweeg hij om de woorden goed tot zijn gevangenen te laten doordringen, daarna klonk het weer dreigend:

— De ellendelingen van bleekgezichten hebben ons land en onze heilige plaatsen ontnomen en ons voortgejaagd. Zij kwamen met slechts weinigen en zijn thans tot vele millioenen aangezwollen. Wij echter waren met millioenen en nu resteeren er nog slechts weinigen. Wij moeten verdwijnen, evenals de bisons en de mustangs op de savanne. Toch zullen wij

Sluiten