Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Waar gaan we nu heen, vroeg de bankier.

— Als men het bedrog bemerkt, dan zullen ze ons ongetwijfeld achtervolgen. Wij moeten dus snel voort.

— Jammer, dat wij geen paarden en wapens hebben, vond Baumgarten.

— Ja, zij hebben al onze bagage gestolen.

Geen nood, ik heb alles weten te bemachtigen.

— Wat nu? Hoe is dat nu mogelijk?

— Een moedig man kan heel wat verzetten, wanneer het om zijn vrienden gaat. Ik heb alleen hulp noodig gehad, want zelf zou ik alles niet hebben kunnen klaarspelen.

— Dus u bent geholpen geworden?

— Ja, door twee dappere mannen.

— Wie zijn dat?

— Ik zal hen straks ophalen. Zij wachten daar op ons.

Hij wees naar een berg met steenen. die daar lag. Daarachter vonden zij Buttler en Polier en bij hen stonden de paarden volledig bepakt.

Daarover waren zij toch wel zeer verbaasd; hun vragen erover werden echter teruggewezen:

— We hebben nu geen tijd voor praatjes. We moeten weg. Later zal ik alles wel vertellen.

Hij had allang een mooi verhaaltje klaar, en was ook overtuigd, dat het geslikt, zou worden. Voorloopig echter deden zij niets, dan zoo snel mogelijk wegrijden.

De bankier deed den heelen weg niets anders, dan in allerlei woordvormingen en zinswendingen zijn diepe dankbaarheid uiten. Alleen Baumgarten was in zijn hart nog bezig met gedachten van wroeging over de wijze waarop zij willens en wetens hun kameraden in de steek hadden gelaten.

Deze zaten inmiddels lang niet stil. Er werd voortdurend doorgewerkt aan het doorboren van het deksel en de vrouwen en mannen, die niets te doen hadden, waren voortdurend bezig met elkaar kwinkslagen toe te dienen, waardoor de tijd zeer snel verstreek.

Juist was Dick Stone van de schouders afgeklommen om afgelost te worden, toen er voetstappen weerklonken en men een geruisch boven zich hoorden. Het was net alsof er zware steenen van het luik werden afgewenteld. Vlug gingen de mannen weer opzij en daar schoof het luik een klein beetje omhoog; de stem van den hoofdman weerklonk:

De witte mannen mogen hooren, wat ik hun te zeggen heb. Er is oorlog tusschen ons en de bleekgezichten en eigenlijk moest ik hen dooden. maar ik wil genadig zijn en hen het leven schenken, wanneer zij vrijwillig alles afgeven, wat zij bij zich hebben. Hun aanvoerder mag antwoorden. Met deze aanvoerder bedoelde hij Sam Hawkens. Deze antwoordde:

— Gij zult alles krijgen, wat gij wenscht. Laat ons eruit, dan geven wij het af!

— Mijn broeders tong is als die der slang. Wanneer ik u

Sluiten