Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Nou, omdat het onmogelijk zal zijn, om door dat gat te vluchten, want ze zullen het nu wel donders goed bewaken, reken daar op.

— Tja, we hadden dat eer moeten bedenken.

— Geeft niets, hoor; we kunnen nog van alles probeeren, want we zijn nog lang niet dood. Vooruit, dan gaan we maar weer opnieuw met frisschen moed aan het werk.

— Aan welk werk, man? Wil je soms in dien muur een gat maken, dan ben je er een tijdje mee zoet.

Nee, heelemaal niet, want wie dien muur zou willen doorboren, mag wel een boormachine meebrengen. Nee, we nemen zoo'n gat en maken dat eenvoudig wat grooter.

— Ja, Frank, dat is een goed idee van je.

Nou, een goed idee is wel anders, want door dien muur

is bijna niet te komen. Alleen heb je er meer plezier van, want ze zullen wel niet denken, wat we dat aandurven en dat we dat tot een goed einde brengen zullen.

Met vereende krachten werden er nu twee geweerloopen in zoo'n klein ventilatiegat gestoken en een half uur lang werd er niet anders gedaan dan gewrikt, zoodat de steenen in den omtrek van dat gat tenslotte wat losser kwam te zitten.

Eerst nu kon men beginnen te werken en weldra was het zoover, dat men de steenen er een voor een uit kon nemen.

Maar met dat al was het alweer namiddag geworden en vooral bij de kinderen begon zich de honger en de dorst te manifesteeren.

Dat ondanks de vele nare omstandigheden de stemming nog zeer goed bleef, was wel voor een zeer groot deel te danken aan de eigenaardige karakters, die hier tesamen waren. Gedurende den daarop volgenden nacht werd er voortdurend aan dat gat gewerkt door twee mannen, terwijl de rest te slapen lag.

Eindelijk, daar begon in den vroegen ochtend de omgeving van het gat wat beter te bewerkeh te worden en men had weldra de laatste steen onder handen.

Juist wilde Sam dien steen er voorzichtig uithalen, toen deze den verkeerden kant op kantelde en met een tuimelend geluid

naar beneden viel.

Jammer. Met ingehouden adem stonden allen te luisteren, of soms iemand van buiten er iets van gehoord kon hebben. Nee, er was niets te hooren, maar nu dat gebeurd was, kon men niet voorzichtig genoeg wezen. Dus werd er nu met verdubbelde voorzichtigheid gewerkt. Verder, steeds verder kwam men; nog een half uurtje, toen was de laatste steen eruit genomen en kon een gewoon man er zonder eenige moeite doorheen.

Hoera! Nu zijn we gered! riep Mevrouw Rosalie Ebersbach

al voorbarig.

— Dat zou ik nog maar niet zoo hard roepen, want het allermoeilijkste komt immers nog, vond Droll, die steeds zijn best had gedaan, om de menschen niet te veel te laten hopen.

Hierin had hij wel een beetje gelijk, want de vrouwen van

Sluiten