Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Mooi, laten we daar dan heengaan.

Het was al tamelijk duister, want de zon was al een heel eind den horizon genaderd, maar dat was voor den Apachenhoofdman heelemaal geen bezwaar, want hij reed door het bosch, alsof hij er dagelijks had geloopen.

De plaats, die Winnetou bedoelde was bij de bron van een klein watertje en na een uur rijden kwamen ze al aan het watertje; zij wilden er langs rijden, doch hielden plotseling beiden hun paarden in. Wat was dat? Een spoor, en wel meerdere, want het gras was hier en een eind verderop, heelemaal platgetrapt.

Tegelijk waren beiden van hun paarden af om het spoor te onderzoeken.

Tegelijk ook richtten beiden zich daarna weer op.

— Vijf ruiters op vermoeide paarden, concludeerde Old Shatterhand.

— En ze zullen heel spoedig halt houden, vulde zijn vriend aan, het is nog geen half uur geleden-, dat ze hier waren.

— Mijn broeder weet immers ook, dat de strijdbijl tusschen rooden en blanken is opgegraven. Men kan dus niet te voorzichtig zijn.

— Goed, dus volgen, begreep Winnetou onmiddellijk.

Zij liepen naar een nabij boschje en brachten daar de paarden in, waar zij hen vastbonden. Voor zij weggingen legden ze hun handen op de neus van hun paard, ten teeken voor de Indiaansch gedresserde paarden, dat de dieren zeer stil moesten wezen, dus niet konden staan snuiven. Nu konden zij hen veilig achterlaten.

Voorzichtig volgden zij het spoor nu met echt Indiaansche omzichtigheid; zij beiden waren meesters in het besluipen en een spoor volgen als dit er een was, kostte hen niet de minste moeite. Van boom tot boom en van struik tot sruik slopen zij voort, terwijl zij van iedere schaduwplek die zij tegenkwamen, profijt trokken.

Nauwelijks waren ze zoo 5 minuten voortgeslopen, of daar kwamen al weer andere sporen de beide vrienden te hulp. Winnetou haalde eens diep zijn neus vol lucht en zei:

— Ik ruik rook. Zij zijn hier dicht in de buurt, dus moeten we dubbel voorzichtig zijn.

— Ja, het zijn blanken; want geen roodhuid zou het in zijn hoofd halen een vuur aan te leggen, dat aan de lijzijde open is.

De beek liep nu tusschen twee boschjes door en nu pas haddende beide jagers een mooie dekking, achter welke zij prachtig snel vooruit konden komen.

Zoo snel als maar eenigszins mogelijk was kwamen zij vooruit en weldra zjagen zij hun moeite beloond: een vrij hoog vuur brandde hier vlak voor hen en bij het schijnsel van het veel te hooge vuur konden zij de gezichten zeer goed opnemen.

Die mannen daar om dat vuur moesten zich wel erg zeker en veilig voelen, want anders zouden zij zeker niet zoo'n groot

Sluiten