Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat is er? vroeg nu de eerste spreker zachtjes.

— Daar zijn mannen.

— Blanke?

— Nee, roode.

— Waar?

— Daar, bij dien rots.

— Ja, nu zie ik hen, zei Baumgarten.

— Wie zijn dat?

— Verkenners.

— Wat doen die dan hier?

Die verkennen het pad, dat de mannen van hun stam

nemen willen.

— Kunnen die ons kwaad doen?

— Nee, het zijn er maar twee.

— Welke stam zijn ze?

— Nijora's

— Kent gij hen?

— Ja

— Dus dan kennen zij u ook?

— Natuurlijk, maar dat is een tijd geleden geweest.

— Zouden ze ons kwaad doen?

— In vredestijd niet, maar nu is hun strijdbijl opgegraven en dan hebben ze tegen alle blanken een wrok.

— Wat gaat ge doen?

— Nou, ik weet het eigenlijk niet goed.

— Wel?

— Als ik naar hen toe ga, dan kunnen zij ons vijandig en vriendschappelijk behandelen. En beter kunnen we zorgen, dat zij ons heelemaal niet zien.

Hij wilde gaan zitten, zoo, dat de Indianen hem niet konden

zien. ,. .

Plotseling werd hij echter door Baumgarten geroepen, die iets

in de verte had gezien.

— Wat is dat?

— Dat zijn Indianen.

— Ook Nijora's?

— Neen, dat zijn Nevajo's.

— Doen die ons kwaad?

— Laten we liever zorgen, dat ze ons niet te zien krijgen.

— Kent gij hen?

— Nee, die niet. .

Zij zagen nu, dat de beide Indianen nader kwamen sluipen en al

spoedig bleek, wat hun doel was.

— Zij hebben het spoor van die twee Nijora s gevonden en nu gaan ze erachter aan, om hen te vermoorden.

— Waarom?

Omdat er oorlog is tusschen die beide stammen.

— Dus ze gaan straks vechten?

— Ja.

— Is daar niets aan te doen?

Sluiten