Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Nee, wanneer verkenners vechten, dan moeten er minstens twee van sterven, want die vechten todat de vijand geheel dood is.

— En dan?

— Nou, dan zijn ze zelf ook meestal zoo ongeveer dood.

— Kunnen we dat dan niet verhinderen?

— Nee.

— Dat is verschrikkelijk!

— Is het ook, maar niets aan te doen.

Even bleven ze ernaar zitten kijken, totdat de beide Navajo's tot dicht bij den rots genaderd waren, waar de twee Nijora's lagen.

— Allemachtig! Mokaschi is verloren! riep Grinley opeens.

— Wie is dat?

— Het opperhoofd der Nijora's. Die is erbij.

— Waarom?

— Omdat hij over een minuut binnen reikwijdte van het mes van die Navajoj's zal zijn gekomen.

— Wat moeten wij dan doen?

— Er profijt van trekken.

— Hoe?

Als antwoord nam de petroleum-koning zijn geweer, legde aan en schoot beide loopen leeg.

De voorste der beide Indianen lag onmiddellijk met een doorboord hoofd voorover op den grond en de achterste was eveneens ineens dood.

De uitwerking van de beide schoten was verbluffend.

Met een sprong waren de twee Nijra's van hun plaats en lagen in het volgende oogenblik plat op den grond, zoodat zij een klein raakvlak boden.

Maar uit den aard der zaak behoefden zij niet bang te zijn, want er werd nu niet meer geschoten. Integendeel kwam Grinley tevoorschijn, zoodat de mannen in het dal hem zouden kunnen zien en hij riep:

— De mannen der Nijora's kunnen wel weer gaan staan, want hun vijanden zijn dood!!

Mokaschi richtte zich op en vroeg:

— Oef! Wie is dat?

— Grinley.

— Wie heeft er geschoten?

— Ik.

— Op wie?

— Op die beide Navajo's.

— Waar?

— Daar!

Hij wees op de rots en de Nijora's liepen eromheen.

Ja, daar lagen de beide Navajo's, dood.

— Gij hebt gelijk, kom naar beneden!

— Ik ben niet alleen.

— Wie zijn er bij U?

Sluiten