Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Twee mannen.

— Bleekgezichten?

— Ja.

— Meebrengen.

— Goed.

De mannen op den bergrand moesten nu wel naar beneden gaan, wat den beiden blijkbaar erg tegen den zin was, daar zij er geen heil in konden zien.

— Maar nu hebt ge twee menschen van het leven beroofd! jammerden zij.

— En dat waren menschen, die U niets gedaan hadden!

— Ach, wat erg!

— En U schijnt het U heelemaal niet aan te trekken!

— En alleen om een beetje voordeel!

Dat verveelde Grinley.

— Schei toch uit met dat geduvel.

— Het is toch zoo?

— Nee, want twee man hadden er minstens aangegaan.

— Maar nu hebt gij er Uw geweten mee bezoedeld.

— Dat geweten is zoo erg niet.

Meteen, terwijl hij dat zeide, voelde hij, dat hij dat beter niet had moeten zeggen, want nu konden ze wel eens bang gaan worden.

— Maar ze zullen ons er wel erg dankbaar voor zijn! zei hij om het weer goed te maken.

— Nou, maar dan had ik hen toch maar liever zelf die menschen laten vermoorden, hoor!

— Wat er in tijd van oorlog gebeurt, heet geen vermoorden. Nu waren zij beneden aangekomen.

— Wat doen die bleekgezichten hier?

Dat was alzoo geen hartelijke ontvangst.

— Wij zijn op doortocht.

— Waarvandaan komen ze?

Die vraag was weer zoo barsch.

— Wij komen van den kant van Gila.

— Waar gaat ge dan hèen?

— Naar de Chelly.

— Wat gaat ge daar dan doen?

— Naar een stuk land kijken.

— Zijt ge alleen?

— Ja.

— Komen er nog meer?

— Nee, en als er meer komen, dan zijn het geen vrienden van ons.

— Weet ge dat er vijandelijkheden zijn?

— Ja.

— Ook, waar die zijn?

— Ja.

En toch waagt ge u hierheen?

— Ja.

Sluiten