Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Waarom?

— Omdat wij weten, dat wij de vrienden van de roode volken zijn.

— Dat kan niet.

— Waarom niet?

— Omdat alle rooden de bleekgezichten haten.

— Dus?

— Dus gij zijt onze vijanden.

— Neen, dat is niet waar.

— Maar wij zijn wel de uwe.

— Dat kan ik niet gelooven.

— Waarom niet?

— Omdat gij alleen met de Navajo's in onmin leeft.

— De bleekgezichten zijn er de schuld van, dat de roode mannen elkaar bevechten. Daarom worden alle bleekgezichten afgemaakt, die wij tegenkomen.

— Maar vroeger hebt gij niet zoo tegen mij gesproken.

— Ik heb u slechts eenmaal gezien.

— En dien eenen keer was ik uw vriend.

— Ik tel mijn vrienden niet onder uw soort.

— Maar ik heb toch nog nooit een van Uw krijgers eenig leed gedaan?

— Nee, want dan zoudt ge nu allang niet meer leven, hond! beet de hoofdman hem toe.

Dat was wat anders, dan vriendelijk ontvangen te worden.

— Waarom bent ge zoo vijandig tegen mij? Ik heb toch uw leven gered?

— Hoe dan?

— Door die beide mannen dood te schieten, die het op uw leven gemunt hadden.

— Dat heb ik u immers niet gevraagd?

— Maar ik heb u toch het leven ermee gered?

— Hoe lang hebt gij die mannen gevolgd, om hen neer te schieten?

— Ik heb hen eerst twee minuten geleden, toen ik zag, dat uw leven gevaar liep, voor het eerst gezien.

— Wat had ge dan tegen hen?

Niets.

— Had gij geen wraak te nemen?

— Neen.

— En toch hebt gij hen gedood?

— Ja, om u te redden.

— Ellendeling! brulde de hoofdman hem nu toe, gij zijt niet waard, dat ge een geweer hebt!

— Zoo?

— Nee, gij hebt mannen gedood, die u niets misdaan hebben en ge hebt hen niet eens bevochten, maar vanuit een veilige schuilplaats lafhartig neergeschoten. Dat is geen krijgsmanschap, dat is moordenaarswerk!

— Maar toch om u beiden te redden?

Sluiten