Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschreeuw aanhief, stemden al zijn dertig mannen ermee in en met één sprong waren zij temidden der Navajo's, die te verwonderd waren, om zich te verdedigen, zoodat er geen druppel bloed behoefde te vloeien.

— Dat wordt goed voor ons, fluisterde Grinley zijn metgezellen toe.

— Dat denk je maar.

— Hij heeft ons al eens eer vrijgelaten.

— Maar nu zal hij het niet voor den tweeden keer doen.

— Ik wil wedden van wel.

— Makkelijk wedden, wanneer je je leven toch niet meer in je hand hebt.

— Dat zullen we nog wel eens zien

— Hoezoo?

— Ik heb wel eens meer voor dergelijke heete vuren gestaan.

— Maar nu niet, dat zeg ik je.

— Pas op, daar komt hij.

Ja, daar kwam de hoofdman op hem af.

— Wat doet dat lage bleekgezicht hier?

— Die is onze gevangene, zei de aanvoerder der Navajo's.

— Wie zijt gij?

— Ik ben de aanvoerder der Navajo's.

— En hoe heet ge?

— Het snelle ros.

— Dat is een mooie naam, waarschijnlijk hebt ge wel eens meer zoo dom gedaan, om een vuur aan te maken, wanneer ge op verkenning uit waart. Nu echter zult ge Uw naam geen eer meer aan kunnen doen.

— Wij zullen als helden weten te sterven.

— Ik hoop het voor de eer van Uw volk.

Nu begon hij tegen Grinley:

— Waarom zijn die twee andere mannen niet meer bij U?

— Omdat die dood zijn.

— Waaraan zijn zij gestorven?

— Wij hebben hen gedood.

— In een eerlijk tweegevecht?

— Nee, riep nu de Navajo, — zij hebben hen verdronken.

— Ver.... dron.... ken?

— Ja, klonk het heel benepen.

— Ellendeling, eerst twee dappere vijanden van ons dood te schieten vanuit de verte en dan Uw eigen mannen te verdrinken. Bah!

— Maar....

— Zwijg! Stinkende Jakhals!! Wij zullen U het zelfde lot doen ondergaan: eerst heel erg pijnigen en dan levend verdrinken. Howgh!

Verachtelijk keerde hij zich van de blanken af.

— Zoo zijn de bleekgezichten nu, zei hij tegen den aanvoerder der Navajo's. — Tegen één enkele Old Shatterhand, in wiens hart de liefde woont, zijn er honderd duizend maal hon-

Sluiten