Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog wel, die gebonden en ongewapend waren!!

Wanneer Winnetou nu beloofde, dat niemand het te hooren kwam, dan zou hij daar zeker een heeleboel voor over hebben.

— Hebt gij gehoord, dat Old Shatterhand tot uw krijgers riep? Gij zoudt zeker worden gedood, wanneer zij hierheen kwamen.

— Ik ben een krijgsman, en ge kunt me gerust dooden, want mijn mannen zullen mij wreken!

— Gij vergist u, want gij zijt in onzen macht en uw mannen kunnen ons niets doen, want wij worden beschut door de rotsen en de boomen en wij hebben nog nooit onze vijanden geteld.

— Dan zullen mijn mannen met mij sterven! Zij hebben evenzeer deel aan de schande, waarvan ge zooeven gesproken hebt.

— Wanneer gij verstandig zijt en gehoorzaamt aan wat ik u zal zeggen, dan zal er geen van uw mannen behoeven te sterven en gijzelf evenmin, en ook zal er niemand ooit iets van te weten komen van wat er dezen nacht voorgevallen is, dus ook niet, hoe gij door ons zijt gevangen genomen.

Nu lichtten de oogen van den hoofdman op en hij vroeg hoopvol:

— Wat zegt gij daar?

— Gij hebt het gehoord: wij zullen niet spreken over wat er vannacht is voorgevallen.

— Belooft gij dat?

— Het woord van Winnetou is beter dan een belofte.

— En.... hoe zult gij u tegenover ons gedragen, wanneer we u hebben laten gaan?

— Precies, zooals gij u tegenover .ons zult gedragen.

— Waarheen zult gij gaan?

— Dat is onze zaak. Wij moeten achter de mannen heen, die u ontvlucht zijn en waar zij dus heengaan, daarheen is ook ons pad.

— Dus soms naar de Navajo's?

— Wanneer de drie mannen erheen gaan, dan wij ook.

— En dan gaat gij hen tegen ons helpen?

— Wij zullen ook hen tot vrede aanmanen, zooals ik het u gedaan heb. Ik heb u gezegd, dat ik geen vijand van u ben, dus kan ik ook nooit iets vijandigs tegenover u doen.

— Oh.

— Maar geef snel uw antwoord, want wij moeten achter die bleekgezichten aan, anders zijn zij te ver weg.

— Ja.

Mokaschi overdacht een en ander nog eens en zei toen:

— Gij zult alles terug hebben, dat u toebehoort en dan zult ge verder mogen rijden.

— Zonder dat gij ons achtervolgt.

— Wij zullen niet meer aan u denken; daarvoor moet gij ons echter beloven, dat gij niet meer over vannacht zult spreken.

— Vanzelf! Wil mijn broeder Mokaschi hierover de vredes-

Sluiten