Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Weet ge dat werkelijk niet?

— Nee, klonk het benepen.

— Jullie zijn leugenaars of anders laffe schurken!

Geen van beiden.

— Wel waar!

— Heusch niet.

— Zwijg! Gij moet liegen of anders hebt ge u tegenover de andere gevangenen als schoften gedragen.

— We konden hen niet redden.

— Toch wel!

— Hoe dan?

— Gij hebt hen toch minstens het mesje kunnen geven.

— Dat ko nniet.

— Waarom niet?

— Daar was de tijd te kort voor.

— Gij liegt!

— Nee, ik....

— Zwijg toch! Gij had op zijn minst wel aan den naast u liggen den man het mesje kunnen toewerpen.

— Dat kon niet.

— Zoo. En dan had ge, toen de Nijora's u achtervolgden kunnen terugkeeren en hen heimelijk bevrijden.

— Onmogelijk! Al zaten ons dertig op de hielen, dan toch bleven er nog tweehonderd zeventgi over om de gevangenen te bewaken.

Daar beging hij een groote fout.

— Dus er waren er driehonderd?

De hoofdman was lang niet gek; hij was slimmer dan Grinley.

— Ja.

— Gij ziet, dat wij met belangrijk meer menschen zijn en toch zei u zooeven, dat er zooveel meer waren dan wij.

— Och ik....

— Pas op, want je hebt twee tongen!

— Ik had u allen niet precies geteld.

— Maar wel konden jullie die Nijora's bij nacht precies tellen. Waar lagen de Nijora's?

— Aan den rechter.

— Wanneer wilden zij opbreken?

— Eerst na een paar dagen, daar ze nog meer krijgers verwachtten, loog Grinley.

— Beschrijf ons de plaats precies.

Grinley deed dat zoo goed mogelijk.

— Is dat de waarheid?

— Ja, en geef ons nu de wapens, die ge ons beloofd hebt. De hoofdman zat bedenkelijk te kijken en zei in zichzelf,

maar zoo, dat ieder het hoorde:

— Ik ben Nitsas-Ini, de opperste hoofdman der Navajo's en ik heb nog nooit mijn woord gebroken. Nu heb ik den pijp gerookt met drie schurken en moet hen laten gaan.

Plotseling zat hij weer overeind.

Sluiten