Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hij lachte er zacht om.

— Waarom heeft het opperhoofd die mannen meegegeven?

— Ik weet wel wat van bleekgezichten af en die geven hun gasten een geleide mee.

— Erg vriendelijk van U, maar de wapens en zoo kunnen we zelf best dragen.

— Dat weet ik wel, maar waarom zoudt, ge, wanneer Indianen het doen kunnen?

— En ga nu maar, want een kwartier verder houden die mannen stil, en wanneer gij daar dan niet bent aangekomen, dan krijgt gij niets. Ik groet U.

Met deze woorden keerde hij zich om en verwijderde zich.

De drie mannen keken elkaar aan en wisten niet, wat ze ervan denken moesten. Zij stegen dus te paard en reden weg.

Onderweg bespraken zij een en ander.

— Die knaap is slimmer dan wij wel vermoeden.

— Ja.

— Hij heeft ons heele plan doorzien.

— Nu hebben wij niets meer te hopen.

— Pshaw! Ik geef de hoop zoo gauw niet op.

— Werkelijk?

— Zou he mtogelijk zijn, het terug te krijgen?

— In ieder geval.

— Hoe dan?

— Als die Indianen ons hebben verlaten, dan gaan we terug en wachten rustig, totdat die Wolf ons alleen in handen komt door het een of andere toeval.

— Dan kun je lang wachten.

— Dat is niets erg. Dat hebben we er toch graag voor over?

— Ja, maar we behoeven niet lang te wachten.

— Zoo?

— Ze zullen heusch wel zoo spoedig mogelijk naar de Nijora's willen opbreken en dan gaat Wolf mee.

— Dat zal wel.

— Mooi, nu heb ik weer een beetje hoop.

Zoo sprekend waren zij bij de Indianen aangekomen en het negental ruiters verliet het kamp.

— Onderwijl zaten Wolf en Nitsas-Ini bij elkaar, en waren het er over eens, dat zij er eigenlijk verkeerd aan deden, deze drie boeven te laten gaan.

— Kim je niet een wachter neerzetten, langs de rivier, die achterblijft, wanneer wij opbreken?

— Ja, maar waaryoor?

— Omdat die drie wel teruug zullen komen.

— Om het papier te halen?

— Ja.

— Dan mag er een wachter achterblijven.

— Te paard.

— Waarom?

— Om ons achterop te kunnen komen, wanneer hij die drie

Sluiten