Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft gezien.

— Ja, dat is goed. Ik zal ervoor zorgen.

De Indianen maakten' nu toebereidselen om te vertrekken en toen de zes man terug kwamen, gingen allen op weg. Alleen de man, die achter moest blijven, had zich verstopt.

De hoofdman met zijn vrouw en Wolf gingen heelemaal achteraan en de vrouw was erg bang voor haar eenigsten zoon.

— Wees maar gerust, want wanneer zij gevangen zijn, dan worden die toch niet gedood, voor de oorlog afgeloopen is. Eerst dan worden ze aan den martelpaal gebonden en zoover is het immers nog lang niet.

— Wolf heeft gelijk, onze jongen is nog lang niet verloren, want onze krijgers zullen de Nijora's verslaan.

De geheelen avond reden zij door en eerst toen het middernacht was geworden hielden de mannen stil.

Nauwelijks hadden zij afgezeten en waren ze bezig, een nachtleger in orde te maken, of daar hoorden ze een geluid, dat geleek op een menschenstem, maar het deed heel raar; het was een rhytmisch fluiten.

— Wat is dat? vroeg de hoofdman aan zijn vrouw, — heb jij dat ook gehoord?

— Ja.

Weer luisterden zij.

— Fideldideldideldie, fideldideldideldie Iklonk het weer.

— Dat is een mensch! zei Nitsas-Ini.

— Ja, hij doet een viool na.

— Een viool?

Weer was het geluid te hooren.

— Nu doet hij een fluit na.

— Een fluit?

— Nu is het e enklavier.

— Maar wat praat je nu allemaal? Wat zyn dat?

— Wat?

— Die dingen: viool, fluit, klavier. Heb ik nooit van gehoord.

— Dat zijn muziekinstrumenten.

— En die zijn hier? In de wildernis.

— Ja.

— Dus er moet enmenschen zijn?

— Ja.

— Maar dat is toch geen Indiaansche muziek?

— Neen.

— Dan moet het een blanke zijn.

— Ik denk het ook wel.

— Maar wie is er hier in de buurt, die niet gevangen is?

— Gevangen?

— Ja, door de Nijora's.

— Oh, ja, die kunnen niet hier zijn, of de Nijora's moeten hier zijn.

— Die zouden die menschen nooit toestaan, zoo luid te zingen.

— Nee....

Sluiten