Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst toen de duisternis zoover gedaald was, dat zij nog slechts een voet of drie voor zich uit konden zien, gingen zij voorzichtig verder.

De Nijora's lagen precies daar, waar de Chelly en het WinterWater in elkaar vloeiden. De naam van het Winter-water komt daarvan af, dat er zelfs des winters water is in dat riviertje.

De oevers van die rivier werden gevormd door zeer steile wanden, die men onmogelijk kon beklimmen.

Om met de paarden aan den overkant te kunnen komen, moest men een omweg maken, want daar kon men met de paarden al evenmin tegenop. Men kon er dus zeker van zijn, dat de ruiters, die aan het eind van een vermoeienden dagrit aan het water aankwamen, niet nog eens gingen omrijden, maar besloten, er den nacht door te brengen.

Winnetou en Old Shatterhand echter slopen om het water heen en wisten ongezien aan den overzijde te komen, zoodat zij nu dicht bij het kamp der Nijora's waren.

Met den buik over den grond slopen zij om het kamp heen, dat van buiten af niet te zien was. Achter die boomen waren de Indianen wel volkomen veilig, maar toch moesten zij in oorlogstijd meer op lyan hoede zijn.

Zij schijnen werkelijk niet bang voor ontdekking te zijn.

-— Nee, zij zijn zeker van hun zaak.

Niet goed voor ons, dat die vuren zoo hoog op branden.

— Is het ook niet, maar daar kunnen wij toch wel overheen komen. Des te donkerder zijn immers de schaduwen.

De beide mannen slopen nu steeds dichter bij en toen zij langs een struik kwamen, die zich er goed toe leende, keken ze erdoor en zei Old Shatterhand:

— Kijk, daar zitten eenige mannen te praten.

— Ja, ziet ge niet, wie dat is?

— Zeker; het is Mokaschi.

— Hij houdt een soort raad met de ouderen der stam.

— Dan moeten we zien, dat we erachter komen.

Kom mee, ik weet een plaats, waar we van hieruit kunnen komen.

Zij kropen nu terug en na een zeer moeilijken tocht van een kwartier belandden zij aan een steilen rand.

Dicht tegen den rots aangedrukt, liepen zij over het randje, boven den afgrond. Eén misstap en men zou te pletter vallen. Gelukkig kwamen ze heelhuids aan den anderen kant, waar de steen lag, tegen welke de vier mannen der Nijora's hun gesprek hielden.

Nu was het een heele toer, om óp dien steen te komen, want deze was wel meer dan twee meter hoog; het was een langwerpig blok, dat van boven afgeplat was. Hierop liggend zouden zij alles kunnen hooren, zonder door de Indianen gezien te worden.

Ieder ander zou er voor hebben bedankt, langs het smalle kantje van dien afgrond staande, nog te pogen, bovenop dien

Sluiten