Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zouden die bleekgezichten wel hier langs komen? vroeg de een.

— Zij komen.

— Dan komen zij naar den dood.

— Ja. Zoo is het.

— Volgen zij onze krijgers, dan worden zij gevangen en gemarteld, volgen zij hen niet, omdat zij lont ruiken, dan schieten wij hen dood.

Op een wenk van Grinley gingen de drie mannen weer terug en fluisterden:

— Heb je het gehoord?

— Ja, meer hoeven we niet te weten.

— Wat doen we dus?

— Naar de hel met hen!

— Oké ,ik doe mee.

— Jij neemt de linker en ik de rechter, dan houdt Polier zich klaar om bij te springen.

Beide mannen legden hun geweren aan, mikten en Grinley telde:

— Eén.... twee.... drie!

De schoten knalden, zonder een enkel geluid zegen de beide Roodhuiden ineen. De drie mannen verlieten hun schuilplaats en liepen naar de plek, waar de Roodhuiden tegen elkaar uitgestrekt lagen.

— Zoo! zei de Petroleumkoning, die doen ons geen kwaad meer.

De drie bandieten plunderden hen uit en vooral de munitie en de mondvoorraad was hen welkom. Voorts bonden zij de beide Indianenpaarden los en namen die tusschen hen in om in geval van een overhaaste vlucht, frissche reservepaarden bij de hand te hebben.

Een half uur verder vonden zij het verlaten kamp der Navajo's.

— Hier hebben ze den nacht doorgebracht, z»i de Petroleumkoning.

— Weet je, wie hier geweest is?

— Otld Shatterhand met zijn menschen.

— Dat denk ik ook. Kijk maar, daar loopen sporen dwars door de rivier naar het Westen.

— Ja. De Navajo's zijn de rivier overgegaan en nu zijn ze met hun allen achter de Nyora's aan.

— Maar dan....

— Wat is er?

Grinley antwoordde niet. Bleek van schrik stond hij met wilde oogen voor zich uit te staren.

— Wat is er dan?

— Alle duivels!

— Maar zeg dan wat!

— Wat een verschrikkelijke gedachte schiet me daar te binnen?

Sluiten