Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wie is er dan nog meer in de buurt?

— Mr. Rollins.

De drie mannen keken elkaar aan en konden een lachje niet weerhouden.

Dat was een te mooie kans van het lot.

— Is die bankier hier?

— Ja.

— Ik zie hem niet.

— Toch is hij hier dicht in de buurt.

— Waar zit hij dan?

— Waarom wilt ge dat weten?

— Omdat hij zijn plicht verzaakt heeft.

— Hoezoo?

— Hij moest immers op u passen?

— Ja.

— En nu is hij er niet.

— Nee, hij was bang.

— Bang? Voor wie?

— Voor u drieën.

— Hoe kan dat nu? Wij doen immers niemand kwaad.

— Ja, wie U geen kwaad doet, dat weet ik niet, maar met mij hebt U ook al een grapje uitgehaald.

— Kom kom, daarom hoeft die bankier toch niet weg te loopen.

— Nee, zei nu ook de organist nadenkend, het is gemeen van hem....

— Ja, vond Polier snel, want hij zag in de houding van den Emeritus een mooie kans, om hem te misleiden, hij is erg gemeen.

— We moesten hem eigenlijk eens daarvoor straffen, zei Buttler.

— Ja, hij moest maar eens weten, wat het betekent, aan een boom te worden vastgebonden, terwijl een ander vrij rondloopt.

Dit deed de Emeritus grijzen van leedvermaak.

— Zullen we eens een grapje met hem uithalen en hem laten zien, dat hij niet zoo wreed moet zijn, om een medemensch aan een boom te binden?

— Jajajaü juichte de dwaas en de drie mannen, die hem al tweemaal hadden willen dooden, werden door hem grif geloofd.

— Goed, zeg ons dan, waar hij zit, dan zullen we hem gaan halen en hem in Uw plaats aan dien boom binden.

De arme man vloog erin en zei:

— Daar aan dien anderen kant van dat boschje is een soort gat in de rotsen en daar is hij in gevlucht, toen hij U drieen zag aankomen.

Nu was de arme bankier, zoo gemeen verraden, snel gevonden en hij kon niet zoo tegenspartelen, of de drie mannen hielden hem in de hoogte en binnen drie minuten stond hij

Sluiten