Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den Emeritus.

De organist had nu werkelijk leedvermaak in den toestand van den bankier. Hij wilde dat wel eens zien, dat de bankier, die hem niet had willen losmaken, nn eens aan den boom zou worden vastgebonden.

De bankier echter was verschrikkelijk geschrokken t,oen hij den verrader Grinley zag aankomen en probeerde zich nog te redden, door heel hard weg te loopen en tenslotte, toen hij in een hoek gedreven was, poogde hij door dreigen hen bang te maken.

Maar bang worden was het laatste, wat de schurken zouden doen en daarom lachten ze maar wat tegen den bankier, die zoo bang was als een wezel, dat zijn leven erbij in zou schieten.

-— Kom, kom, Mr. Rollins, zoo onvriendelijk zijn wij toch niet tegenover U geweest en moet U nu voor ons vluchten?

— Ja.

— Dat is glad verkeerd, want we krijgen U immers toch te pakken. Wij willen U echter heelemaal geen kwaad doen, want we zijn vijanden van hardhandigheid. Hebt U ooit over onbeleefdheid van onzen kant te klagen gehad?

— Nnnn... .nneen, bibberde het manneke.

— Nou dan, wees toch verstandiger. Bovendien hebben wij hier heelemaal niets te maken en kwamen alleen maar even langs, toen we dien armen Emeritus zoo hoorden schreeuwen.

— Schreeuwen?

— Natuurlijk, ik vind het ook geen werk om hem zoo aan dien boom vast te binden.

— Maar het moest.

— Ja, er moest zooveel.

— Hoezoo?

— Wel, bij voorbeeld moest U ook in de buurt van den Emeritus blijven, om op hem te passen en dat hebt U immers ook niet gedaan?

— Ik ben hierheen gegaan.

— Ja, dat weten we wel, om voor ons te vluchten, nietwaar? Maar dat zal U immers nooit gelukken?

— Maar....

— Neen, geen maren, we zullen U eens laten voelen, hoe verschrikkelijk het voor dien armen speelman moest zijn, om zoo heelemaal alleen aan dien boom te worden vastgebonden en om dan iemand zooals U bent, bij zich te hebben, die in het geheel geen notitie van hem neemt. Foei!

Het verschrikte gezicht van den bankier was zoo vermakelijk, dat de drie mannen in een luiden schaterlach uitbarstten.

Deze vroolijkheid versterkte in den dwazen organist nog meer de meening, dat het een kostelijke grap van hen was, die volkomen ongevaarlijk was.

Sluiten