Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den molen lag, dreef de zilveren klank van de klok van negenen over de kiemende voorjaarslanden.

Ze liep door het appelenlaantje, waarvan tante Chrisje het meest hield, als de teedere rose knoppen, zooals nu, nog niet geheel waren ontloken; ze knielde neer bij den rand van bruids-anemonen, die ze vóór dien winter samen zoo zorgvuldig hadden toegedekt. Overal kwamen de kleine bladknoppen boven de vochtige aarde en niemand had er zich over verheugd. In den herfst zouden alle witte kelken wijd bloeien om het gouden hart, maar tante zou ze niet meer zien, Mia zou vertrokken zijn en Brecht zou er onverschillig langs gaan. Ruut en de lieve oude vrouw zouden nooit meer samen gearmd door de smalle paden loopen en praten over de moeilijkheden van de school, over haar nieuwe zorg om Lucie, die zich gebonden voelde aan die tobbende, altijd vermoeide moeder, aan al de kindertjes, aan den zorgeloozen, goedhartigen vader, Lucie die werkte boven haar taaie krachten, die misschien zichzelf overschatten zou, zooals vader tot zijn eigen, levenslange schade gedaan had. Ze zou nooit meer kunnen luisteren naar de goede woorden van die kleine vrouw met het milde hart, die Ruuts gedachten altijd weer van eigen kortzichtigheid naar wijder ruimten geleid had.

En nu ze hier stond in dien verborgen tuin, die haar beiden zoo lief was geweest, in deze vertrouwde omgeving, miste ze haar smartelijker dan ooit.

„Het was haar steun, haar wijsheid, haar meevoelen, die me al dien tijd, dat ik hier was over de moeilijkheden hebben heengedragen; ik kan die niet ontberen,

Sluiten