Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zei Ruut opstandig. Ik kan wel werken voor mezelf en voor anderen, maar ik kan niet verder, als juist zij, van wie ik zoo heel veel houd, altijd heen gaan uit mijn leven en me zoo verlangend achterlaten."

En heftiger werd de oude nog niet geheel gestilde pijn om vroegerverlies, nu ze zich in dien onbegrensden, ontluikenden tuin zoo alleen voelde, zoo arm zonder al die zachte levensvreugden, die haar hier van week tot week waren bereid, zoo weerloos tegenover het komende leven, dat altijd vroeg naar een dapper hart en een paar stralende oogen om den onafgebroken gang der dagen met al hun moeilijkheden, al hun strijd te kunnen aanvaarden en vervolgen.

Ik kan niet leven van plicht-alleen, ik kan hier niet rondloopen in dien lieven tuin, die haar tuin niet meer is, niet meer zitten op het terrasje zonder haar verinnigde vreugde om die wijde, prachtige wereld, zonder haar zachte stem, die altijd gaf, altijd hielp, altijd troostte. Wat doe ik hier nog in het huis, dat me zoo vreemd is geworden, bij Brecht, die geen goed woord voor me heeft, bij dat kind met wie ik niets te maken heb, dat tante niet eens heeft gekend of liefgehad?

Ze liep langzaam terug door het laantje en even trok ze in 't voorbijgaan een lagen tak vol bloesemknoppen naar zich toe; heel zacht en koel waren die tusschen haar warme, onrustige handen; haar gloeiend gezicht boog ze naar de vochtige blaadjes. Tusschen haar handen en oogen hield ze de blankroode knoppen gevat. Er was om haar hoofd een geur van lente, van bottend loof en in de stilte, die haar omvatte was het mysterie

Sluiten