Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juffrouw zat Mia met haar voeten op de zitting. Ze staarde in gedachten naar buiten, waar het nu donker was en ze zag Ruut niet, die stil bleef staan, getroffen door de peinzende uitdrukking van het bleeke gezichtje, dat moedeloos rustte op de smalle handen.

Daar zat nu dat kind, met wie ze niets te maken had, dat gekomen was in verlangen en verwachting en niets had gevonden dan een onverzorgd huis, een paar dreigende vuisten op haar weg, een boos mensch onder hetzelfde dak. En Ruut, die niet helpen wilde ....

— Wat arm, zei Ruut zacht, armer dan ik en wat lijkt ze klein en hulpeloos op die stoelleuning.

Ze liep het terrasje op en tikte tegen het raam.

— Kom eens buiten, vroeg ze, 't is zoo'n prachtige avond en 't is zoo zacht geworden na dien regen.

— Was je al dien tijd bij Brecht?

— Nee, ze wilde me niet binnen laten; ik was in den tuin .... tante hield zooveel van den tuin.

— Ja, zei Mia, ik denk wel eens, nu het overal tusschen alle spleetjes, langs alle paadjes opkomt en bloeien gaat, hoe dat alles met zorg geplant is en bijeengevoegd.

Ze geeft wel om den tuin, dacht Ruut beschaamd. Ze keken samen uit in den donkeren wirwar van takken, naar de blanke berkestammetjes boven den rullen grond. Ze voelden zich na hun eerste spontane pret om het misverstand beiden te beschroomd om te durven raken aan eikaars ernstiger gedachten.

— Ruut, zei Mia, wat moeilijk, ik vond het zoo lief van je, dat je vanavond hier gekomen bent — om mij. Het doet zoo goed eens met iemand te praten en ik heb hier

Sluiten