Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Tnuis, zei Ruut, hebben we 't altijd financieel zoo moeilijk gehad, vader was ziekelijk en kon maar weinig werken, zoodat moeder altijd moest overléggen, hoe ze rondkomen zou. Lucie verdient niet veel en Wim, mijn broer, is nog student in Delft; hij repeteert wel eens met jongere-jaars, maar vader wil niet, dat hij dat veel doet, omdat hij nu in zijn studiejaren is. Ik was de eenige, die een ruim inkomen had, maar als je je heele leven met financieele moeilijkheden en tekorten hebt gerekend, dan word je huiverig, om veel geld voor jezelf uit te geven, dan denk je: ontneem ik dat nu niet aan Lucie, die 't zoo noodig heeft in haar korte vacantie eens rustig buiten te zijn, of aan moeder, die eigenlijk een nieuwen mantel moet hebben? Maar ik heb zoo'n schat van een moeder, ze maakte het mij zoo gemakkelijk, ze zei: „Als je een avond voor me zingt, Ruut, vergeet ik alle kaalheid van mijn oude jasje, maar als ik in een fonkelnieuw gewaad liep en als jij en wij allen daardoor alle mooie liederen zouden moeten ontberen, zou ik nooit vrede met mijn mooi-aangekleede zelf hebben."

Mia dacht aan haar vader, aan zijn oordeel over de familie Stevens, waarvan ze iets begon te verstaan; ze dacht aan hun eigen overvloed, waar een onbaatzuchtige keuze al vanzelfsprekend was uitgesloten. — En nu heb ik zang- en pianoles; ik geniet er zoo van, 't is zoo heerlijk je eens te mogen uitzingen. Bij tante zong ik bij het orgel. Dan speelde zij en altijd kwam Brecht met een bedachte boodschap de kamer binnen, om te blijven luisteren. Op het laatst zongen we dan met

Sluiten