Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Menschen verbeelden zich zoo gauw, dat ze in ongelegenheid zijn, zei Ruut wijs; de uitreddingen, die ze niet ontdekken, liggen dikwijls vlak voor de hand. En morgen kom je bij mij schooltje spelen?

— Ik kom dolgraag, sprak Mia met dankbare oogen.

Maar den volgenden morgen, toen ze om elf uur voor de dorpsschool van haar fiets sprong en de omkijkende kinderen juist naar binnen werden gedreven, vond Mia een gansch andere Ruut dan de vroolijke, belangstellende gast-voor-haar-alleen van den vorigen dag.

— Ga hier maar staan, voor het bord, zei Ruut achteloos, dan kunnen ze je allemaal goed zien.

Mia was niet gauw verlegen, maar de kleur kroop langzaam tot in haar hals, nu ze daar werkeloos stond, terwijl twee en dertig paar oogen haar aankeken, terwijl de meisjes met de ellebogen tegen elkaar stootten en gniffelend van haar naar hun buurvrouw keken en ze de jongens in 't voorbijgaan hoorde zeggen: „Wat heeft u daar in die zwarte doos juffrouw? Een trompet voor 't fanfarecorps?"

— Schiet op, Wullem, een juffrouw met een trompet . .

— 't Zal een mandelien zijn, hè juffrouw, een mandelien van tingelingeling ? ....

— Een mandelien zit in een bruine zak, jog ....

— Doorloopen, jongens, commandeerde Ruut, niet blijven praten en op je teenen zoo vlug mogelijk naar je plaats gaan, ik zal jullie alles vertellen. Dit is juffrouw van Meerssen, die ons vandaag komt helpen in de

Sluiten