Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pandspelletje als „alle vogels vliegen" was geweest, hoe vele zouden de panden zijn.

Eindeloos speelde Mia dezelfde maten, altijd weer herhaalde Ruut: „Nu deze rij ... . twee te vroeg ingevallen .... nu die rij ... . één ... de derde rij is goed .... de vierde moet het overdoen, jullie zingt uit angst voor de fout heelemaal niet, zoo leer je 't natuurlijk nooit . . . nu mogen zij, die het goed deden, voorzingen. ... nu mogen zij, die 't verkeerd deden laten hooren, dat ze 't precies even goed kennen ....

Daarna zongen ze, ook ter wille van het boerendorp: „Haantje kukeleku".

— Nee, nee, riep Ruut, hoe kunnen jullie 't zoo lijzig doen? Je hebt toch allemaal een haan thuis; kraai eens, Evert.

Maar Evert, die in 't naar huis gaan de hanen van alle hofsteden aan het kraaien kon brengen, schudde laf zijn hoofd, uit verlegenheid tegenover de nieuwe juffrouw.

— Luister goed, zei Ruut, zóó kraait een haan!

— Zoo krachtig en schel scheurde de triomfantelijke hanekreet door de stilte van de wachtende klasse, dat de kinderen luid op schaterden en de onderwijzer van de derde klas nieuwsgierig over het matglas van de tusschendeur keek.

— Stil .... doofde Ruut dadelijk het opkomend lawaai, niemand mag nu kraaien, dat mag pas om twaalf uur buiten school. Je begrijpt, dat je zoo'n hanekraai niet zingen kunt, maar jullie moet nu zingen, zooals de haan kraait, zoo sterk en blij. Eerst doen we 't allemaal

Sluiten