Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Jullie en ik moeten de juffrouw maar eens vriendelijk aankijken.

Ze bloosde om zijn naïeve, onbeholpen woorden.

— De juffrouw zal er nog wel eens over slapen, beloofde gul de onderwijzer.

— Kom, maande Ruut, 't is al laat en ik moet om half twee weer terug zijn voor de handwerkles; we gaan gauw naar huis.

Ze vertrokken met hun drieën.

De onderwijzer nam Mia's fiets; ze liep met haar viool tusschen beiden in.

— Je weet niet, zei Ruut, hóe dankbaar ik je ben; je hebt ons zoo heerlijk geholpen. Zoo hebben ze nog nooit gezongen, niet waar, Bels?

Mia zweeg. Wat kon ze antwoorden op dit enthousiasme? Ze had alleen de fouten gehoord, ze vond al die kinderen dom en onaantrekkelijk.

— We zouden ze best kunnen krijgen tot goeden koorzang. Er zijn mooie, heldere stemmen bij, van de jongens vooral. Maar je hebt weer gezien, hoeveel verder je komt met een instrument en hoe de kinderen met zoo'n flinken steun veel meer durven uitzingen.

Het is hier een werkzame, maar nuchtere bevolking, juffrouw van Meerssen. Ze kunnen het over het algemeen materieel nog al goed stellen, maar ze zijn dikwijls van binnen zoo arm. Als we de kinderen vier dingen kunnen bijbrengen, mogen we misschien een beetje tevreden zijn over ons werk.

— Welke vier? vroeg ze, toch geboeid door de geestdrift van dien jongen.

Sluiten