Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zei heel hard, omdat de woorden eigenlijk voor Brecht bestemd waren en de booze, luisterende gezichten zagen elkaar verschrikt aan: „Morgen kom ik terug en overmorgen en de volgende week — den héélen zomer door." Luid klonken de woorden als een jubelkreet. Als gehoorzamend aan een opzettelijk commando, zoo eensgezind stapte het echtpaar over de kiezeltjes ééntwee, één-twee, recht de open voordeur in.

Ze zag de koppen nog naast elkaar gluren boven de hor, terwijl ze alle warme handjes drukte, maar de vijandige oogen deerden haar niet meer.

Ze stond aan den anderen kant van het leven, waar de ernst en de blijheid is, waar de menschen elkaar de welwillende handen toesteken, waar het niet gaat om het uitsluiten, maar om het groote gebod: Hebt elkaar lief en helpt elkaar.

De kindervoetjes klepperden verder den straatweg langs: ze sloeg den landweg in en glimlachte tegen den blauwen hemel. En toen ze haar viool had thuisgebracht, reed ze verder de stille, landelijke paden langs. Ze wist niet, waarheen ze ging, ze dacht er zelfs niet over.

De zon scheen warm op haar hals en handen. Ze keek naar die beide, jonge, sterke handen en even sloeg zij ze samen, hoog boven haar hoofd.

Handen .... peinsde ze, al die handen van haar en de kindertjes, van Ruut, van Bels, de oude handen van de moeder, die te sterk waren om te rusten. Als een lange keten zag ze al die handen, die zich hadden gesloten de een om de ander — om te samen een werk te vol-

Sluiten