Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ruut en Mia liepen gearmd door de dorpsstraat. Ze hadden samen les gegeven in Ruuts klasse en omdat het de laatste Zaterdag van Mei was, hadden de kindertjes van de eerste en tweede klas hun speelliedjes gedanst en gezongen op het grasveld achter de speelplaats. En Mia had geamuseerd gekeken, hoe de stijve, verlegen figuurtjes van een maand geleden fleurig en vlug hand in hand dansten en zwenkten en keerden over het groene gras, terwijl de witte en roode schortjes opwoeien als lichte vlindervleugels. Vanmiddag zouden ze terugkomen, om met de groote kinderen de reidansen in te studeeren. Bels en Ruut dansten ze voor op de melodie van de viool. Eerst hadden de groote jongens dat wel wat mal gevonden; toen waren ze gelokt en geboeid door de blijde muziek, door de eenvoudige figuren; nu brachten ze langzamerhand de oude boerendansen, die een enkele maal nog thuis gedanst werden bij de harmonica op de deel, als het bruiloft was, naar school.

En dat was de glorie van Bels. ,,Die moeten alle kinderen weer leeren; het geslacht, dat nu volwassen is, geeft al die oude schoonheid veel te gemakkelijk prijs. We moeten de kinderen en daardoor de ouderen helpen hun eigen kostelijke volksgebruiken te bewaren."

En Mia leerde de melodieën, die een kleine mondharmonica-speler haar voorblies en ze dansten allen te samen weer den Paardendans en den Driekesman. Nu liepen ze samen naar Ruuts huis, om daar te blijven tot het spel-uur.

Sluiten