Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komstgroet en Ruut riep: „Hallo burchtvrouwe!" Op haar eigen terrein gluurde Brecht door den dichtgeworden vlierstruik. Ze zag het wagentje stilstaan op den weg. Mia opende het portier; een klein bleek jongetje werd gereikt naar haar uitgestoken armen, een grooter meisje sprong van de treeplank en plukte een handvol grasjes voor het wachtende paard.

— Dag tante Mia, murmelde het slaperige jongetje.

— Och Pietje, sprak Mia geheel verteederd door dat zachte wangetje tegen haar wang en het woord tante, dat nog nooit een kindje tegen haar gezegd had, wat ben ik blij, Pietje, dat je gekomen bent.

— Dag lieve Mia, zei Lucie, ik weet al zooveel van je en van het Huuske, wat heb je een weldaad aan ons gedaan en wat is het hier zalig .... zalig ....

Ze stond roerloos onder dehooge boomen inden zonneschijn; daar lag het gastvrije Huuskeonderz'nrietendak met al de kleurige bloempjes om z'n voet. En ver, ver was het drukke, stoffige Amsterdam, met z'n lawaai, met alle zorgen, met de gierende trams, met de vermoeiende geluiden. . . .

— Ik ben nu al uitgerust, zei ze.

— Ja, vond Ruut, je ziet er ook bizonder uitgerust uit en ze keek bezorgd naar Lucie's smalle gezichtje met de diepe, donker-omkringde oogen.

De koetsier bracht de bagage naar binnen, de kinderen sprongen hand in hand langs de treedjes omhoog naar het wachtende Huuske.

Achter den vlierstruik mompelde Brecht: „Wat een

Sluiten