Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— En wat heb je toen gezegd?

— 't Is natuurlijk tante Lucie en toen vroeg ze, of je een zusje was van tante Mia.

— En wat zei je toen weer, Pol? vroeg Mia nieuwsgierig.

— Tantes zijn toch geen zusjes natuurlijk.

— O, lieve Pol, riep Mia, wat ben je een schat in al je onnoozelheid, je mag straks op m'n rug naar boven. Maar wat een folteringen voor het arme, belangstellende Bergje!

Polleke, vuurrood, werd juist overvallen door een gierende hoestbui, zoodat Lucie te hulp snelde. Met de oogen nog vol tranen en een geheel ontdaan gezichtje, constateerde Polleke na afloop tevreden: „Dat was vandaag de vierde . . .

— En 't is al bijna twee uur, dan gaan we nü al vooruit, Pollekind.

Het werd een luwe Junimaand met zachte regenbuitjes in den nacht en zonnige dagen. In eiken brief, die naar Amsterdam ging, schreef Lucie van beterschap, van dikker en bruiner worden; Pietje hoestte alleen tegen den morgen en bij een kibbelpartij en Pols buien hadden den scherpen klank en den langen duur verloren, lederen dag speelden ze in den rustigen tuin of bij Christientje op de boerderij, iederen dag wist Brecht op een oogenblik, dat Lucie en Mia in huis waren of op het terrasje zaten, de kinderen in haar keuken te lokken. En Pietje en Pol, geboren en getogen inde kille, onverschillige omgeving van een Amsterdamsch benedenhuis, verontrustten zich geen oogenblik, dat de vriendschap

Sluiten