Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En Lucie had tusschen alle blauwe bloemen de vuurroode klaprozen, de kamille en een enkele rogge-aar gestrengeld.

— Voor jou, Mia.

En zoo stralend had Mia's donkere, gebruinde gezichtje haar aangezien onder dien krans van al die kleuren, dat Lucie verrast riep:, ,0, maar Mia, j e bént de zomer!''

— Ik heb ook nooit geweten, dat zomer zóó iets heerlijks was; ik heb jaren lang geen rogge gezien dan uit den trein. Maar langs de velden te loopen, Lucie, met je handen door die zachte, weerstrevende halmen, je gezicht er in weg te stoppen en dien fijnen, zoeten geur te ruiken .... ik weet eigenlijk zelf niet, waarom me dit alles zoo gelukkig maakt.

Over het werk op Ruuts school hadden ze gesproken, over het koor van Bels, dat zingen zou op de openbare les vóór de zomervacantie en waarvoor ze met hun drieën zoo hard werkten.

— Als ik dezen winter thuis kom, vertelde Mia, ga ik hard studeeren voor de zanglessen en de viool en ik ga nog meer werken — wat weet ik nog niet — ik wil iets kunnen in de wereld, ik wil iets heelemaal góed kunnen. Tegenover al die kinderen en tegenover het Huuske heb ik pas gevoeld, hoe half ik alles weet. En ook, dat het zoo goed en prettig is, iets te mogen dóen.

— Je bedoelt, dat er anderen zijn, die op je rekenen, die je noodig hebben?

— Zoover had ik nog niet eens gedacht, zei Mia peinzend, ik geloof, dat ik nog zoo erg aan 't begin sta van mezelf en m'n gevoelens, dat ik nog nauwelijks weet,

Sluiten