Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals ze nooit iemand had hooren hoesten. Het leek niet op kinkhoest, toch begreep ze, dat het Pietje was; nu huilde hij, tusschen het schreien door klonk Lucie's bedarende stem. Er was licht in de slaapkamer. Mia stond op en liep naar de andere kamer. Lucie zat in den grooten stoel met Pietje in een deken gewikkeld, op haar schoot. En Pietje, die al die weken nooit een oogenblik van Heimweh gekend had, schreide: „Ikwil naar moeke toe en naar het waterkacheltje."

Toen hoestte hij weer lang en tot stikkens toe benauwd.

— Drink eens en praat nu niet meer, smeekte Lucie.

— Het waterkacheltje, snikte Pietje, het waterkacheltje van moeke, van m ij n moeke in Amsterdam.

— Stil maar Pietje, troostte Lucie, je moet niet schreien, dan moet je hoesten. Blijf nu heel stil liggen, dan gaat het wel over.

— Ik wil niet in bed, weerstreefde het anders zoo zoete Pietje, heelemaal overstuur. Ik wil op je schoot en het waterkacheltje ....

Mia keek angstig in Lucie's radelooze oogen.

— Wat is dat, Lucie wat wil hij toch? Kan ik iets voor je doen?

— 't Is valsche croup, zei Lucie met een poging om luchtig te spreken, hij heeft het wel eens meer en dan stoomt moeke altijd. Het lijkt altijd erger dan het is. Dat stoomen geeft dadelijk verlichting. Ik weet niet, wat er gebeuren kan, als je niets doet en er is hier natuurlijk geen stoomketel. Wat kunnen we hier? In de stad kan je een apotheek of een ziekenverpleging opbellen, dan brengen ze je dadelijk, wat je noodig hebt.

Sluiten