Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik wil niet .... riep Pietje, met z'n handjes tegen zijn keel en borst, waar hij den hoest voelde opkomen.

— Als ik maar wist, wat te doen, zuchtte Lucie. Hij heeft het nog nooit zoo erg gehad. Weet jij, of valsche croup, die verwaarloosd wordt, echte croup kan worden? En die ... . en die is gevaarlijk.

— Ik heb nog nooit van valsche croup gehoord, zei Mia met bevende lippen, maar ik vind dit vreeselijk en ik weet niets van kinderziektes. Als de dokter ....

— Hoe krijgen we nu midden in den nacht, zonder telephoon, een dokter?

— Ik weet wel, waar hij woont, ik kan toch naar het dorp gaan en vragen, wat we doen moeten.

— Maar 't is hondeweer, Mia, 't is half twee en stikdonker.

— Ik ga op de fiets, den weg ken ik wel en ik heb een goede lantaarn.

Lucie weifelde, ze voelde zich als oudste ook verantwoordelijk voor Mia. De wind gierde om het huis. Pietje lag stil, dommelde snikkend in, nog even mompelde

hij „Moeke .... het wa . . . . terkacheltje

voor Pietje "

En 't waterkacheltje was ook het eenige middel, dat zij kende tot verzachting.

— De dokter heeft zeker een croupketel, Mia, vraag, of je dien mag leenen, ik weet wel, hoe ik hem gebruiken moet. Ik zou zelf wel willen gaan, maar ik durf Pietje niet alleen laten.

— Natuurlijk niet en ik breng den dokter ook mee.

Sluiten