Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hei staan en ze hoorde een mannestem: „Vriend of vijand, wie kruipt daar in een stikdonkeren nacht als een slak over den weg?"

Ze dacht: Het is een kermiswagen met enge kerels, ik heb niet meer dan een rijksdaalder bij me en een gouden armband, die niet af kan .... en o, hoe kom ik er langs, ik kan bijna niet meer en als ik de fiets laat liggen en hard wegloop, halen ze me toch dadelijk in. Ze hoorde den man aankomen met groote stappen door de natte, hooge hei; hij droeg een lantaarn, die zwaaide in zijn hand.

Als hij dronken is, berekende ze vlug, gooi ik mijn fiets tegen hem aan, dan rolt hij wel om en dan kan ik wegkomen.

Hij bleef vlak voor de fiets staan en hield de lantaarn hoog.

— Goeie hemel! riep hij verbaasd, het is een vrouw en ze fietst op een lekken band.

— Ga weg! sprak Mia bits, laat me dadelijk door.

— Hallo, kom eens kijken! riep de man naar het licht op de hei.

Er kwam een tweede man in een regenjas.

— Waar gaat u heen? vroeg de eerste, u kunt zoo niet verder.

— Laat me door, zei Mia nerveus, houd me niet op ... . toe, ga nu weg.

De tweede kneep in den achterband: „Totaal leeg, niets mee te beginnen."

— Blijf van die fiets af, snauwde Mia, ik moet naar den dokter.

De tweede vroeg ineens zacht: „Is er een ernstige zieke ?''

Sluiten