Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Het kind .... zei ze half schreiend, en o, het duurt toch al zoo lang in dien storm met die kapotte fiets, laat me nu toch als 't je belieft door.

— We mogen wel onze excuses maken, mevrouw, zei de tweede, die meende, dat ze over haar eigen kind sprak, dat we u verschrikt hebben.

Ze dacht verruimd: Het zijn heelemaal geen mannen uit een kermiswagen.

— Maar u kunt onmogelijk verder op deze fiets.

— Ik moet .... zei ze, het kind is zoo ziek en we weten geen raad, loopen gaat nog langzamer.

— Als u 't met mij aandurft, zei hij, langzaam z'n plan ontvouwend. Wij zijn Leidsche studenten en kampeeren hier, we waren vannacht met ons beiden op, omdat we vreesden, dat de tent het niet houden zou. Ik zou graag zelf naar den dokter gaan, maar we zijn gisteren hier aangekomen en ik weet nog geen weg. Mijn fiets is goed en als u mee wilt op den bagagedrager en me uitduidt, waar u zijn moet, breng ik u er even. Ze dacht: Wiens stem is dat toch, ik zie zoo weinig van zijn gezicht.

— Ik wil heel graag, zei ze, ik vind het zoo vriendelijk van u, want ik geloof, dat ik er alleen nooit komen zou en het spijt me, dat ik straks zoo boos was.

— Heel begrijpelijk, zei de eerste man. U dacht natuurlijk minstens, dat we struikroovers waren. M'n optreden was ook wel wat al te bruusk, maar we waren door dezen nacht in een romantische stemming gekomen; we dachten, dat er een strooper langs fietste en omdat onze lucifers in een plas waren gevallen, hielden we

Sluiten