Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lancasters van 't huisje van den kippezwager verlicht. Ze zijn zeker op, uit angst voor pannen en ruiten, dacht ze, gelukkig dat ze dit niet zien.

Maar ze schrok toch, toen plotseling op het witte doek,

— als werd daar een schimmenspel vertoond — een dwaas gerekt hoofd verscheen onder een slaapmuts met een kwast.

De man voor op de fiets grinnikte.

In de luwte van de dorpsstraat was praten mogelijk. Ze

duidde hem aan, links, rechts toen hield hij in

voor het doktershuis.

Ze stapten beiden af.

— Even de bel zoeken, mevrouw.

Ze sprak snel: ,,Ik ben geen mevrouw, ik ben Mia van

Meerssen, het kind is een logeetje."

Er kwam een stem door de spreekbuis naast de bel. En

opMia'sverhaal, antwoordde de dokter: „Ikkomdadelijk

bij u, om open te doen, wilt u twee minuten wachten?"

Ze stonden samen op de donkere stoep.

Rekx keek haar aan: „Maar dan kennen we elkaar,

geloof ik?"

— Ja .... zei ze zacht. Ik ben u zoo dankbaar; ik zou er anders nooit gekomen zijn.

— Het was een heele onderneming voor een meisje, zoo alleen door dien donkeren, onstuimigen nacht.

Ze werd heelemaal gelukkig door den plotseling bewonderenden blik van zijn sterke oogen.

— We waren zoo ongerust over het jongetje.

— Ja ... . als een ander in nood is en hulp noodig heeft .... Gelukkig, dat uw weg juist langs ons kamp

Sluiten