Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch je zoo kalmeeren kan; ik heb niet eens aan de mooglijkheid gedacht, dat wat ze met Pietje uitvoerde, ook verkeerd kon zijn.

Mia, zei ze opeens weer angstig, je hebt toch geen koorts, je ziet er zoo opgewonden uit, was het een ellendige tocht?

— O, nee, heelemaal niet, en ik voel me zóó best en heelemaal uitgeslapen, ik geloof, dat ik opblijf. Het wordt al een beetje licht.

— Hoe verzin je 't? vroeg Lucie, ik dacht, dat je doodmoe zou zijn. Kruip er toch gauw in, Mia, en blijf morgen maar eens uitslapen. Ik dank je ook voor alles, wat je gedaan hebt voor me lieve Pietje. Ik heb zulke angsten om je uitgestaan; heb je je geen oogenblik in den weg vergist? In het donker lijken al die laantjes zoo op elkaar. En was er niets engs in 't bosch, ben je niemand tegengekomen?

— O, jawel, ik had een heel merkwaardige ontmoeting. En Mia's oogen werden nog grooter en stralender. Maar Lucie hing zoo moe en afwezig in den grooten stoel, dat Mia, uit vrees, dat haar kostelijk verhaal niet tot z'n recht zou komen, beloofde:

„Morgen .... morgen zal ik je mijn heelen tocht in kleuren en geuren beschrijven; nacht Luus, ik verlang toch wèl naar mijn bedje."

Boven op de kleine kamer zag ze, hoe de jonge dag al schuchter over de wereld lichtte. Ze opende het venster. De storm, die aftrok, liet voor een korte pooze al die bosschen, velden en akkers stil in de wijde morgenrust. Vijf uur sloeg de klok van het oude kasteeltje en heel

Sluiten